Column

Uit mijn duim (4)

Natuurlijk liep dat goed af met dat pistool. Anders had ik zevenendertig jaar later deze stukjes niet kunnen schrijven. Het liep heel kinderachtig af zelfs. De oude gek stopte het wapen in zijn binnenzak, bleef mij nog wel een tijdje vervaarlijk aankijken, reed veel te zacht over de snelweg richting de Deense grens en sommeerde me dat ik die in mijn eentje over moest, omdat ik wel eens drugs bij me kon hebben. Hij sprak het woord drugs op een schitterende kotstoon uit. Over de grens zou hij op me wachten en mocht ik verder mee richting Kopenhagen. Opgelucht stapte ik uit de auto.

„Tot zo”, zei hij nog. Ik geloof dat ik hetzelfde antwoordde. Vlak na de douane bleef hij inderdaad op me wachten. Geïrriteerd omdat ik aan de Duitse kant nogal treuzelde. Hij toeterde een paar keer, wees overdreven op zijn horloge en schreeuwde op een gegeven moment heel hard dat ik moest opschieten.

Ik bleef rustig staan. Het duurde wel een half uur voor hij mokkend vertrok. Hij was zijn speeltje kwijt. Niks lekkerder voor een gefrustreerde Duitse bejaarde dan een liftende scholier de stuipen op het lijf te jagen.

Daarna wachtte ik nog zeker een uur eer ik de grens over durfde. Doordat ik zo lang treuzelde, werd ik wel een object voor de argwanende douane. Zowel mijn rugzak als ikzelf werden bijna geheel binnenstebuiten gekeerd. Een tube Medinos tandpasta, een zakje muntdrop dat mijn moeder voor de gezelligheid stiekem in mijn rugzak had gestopt en een aangebroken pakje Stimorol waren uiteindelijk de schrale oogst.

De reis naar Kopenhagen liep verder probleemloos. Ik meldde me daar op het station, omdat dat nou eenmaal de natuurlijke verzamelplaats voor dit soort reizigers is. Daar sloot ik al gauw vriendschap met andere ongedouchte globetrotters.

Twee weken sliep ik overal en nergens in de armen van een beeldschone, zes jaar oudere Canadese aan wie ik zo goed mogelijk niet liet merken dat ik nog helemaal niets van de liefde wist. Op hongerige avonden ging ik samen met haar blije liedjes bij de Jezus Movement meeblèren, omdat daar een maaltijd tegenover stond. Verder doolden we een middag door het toen al sterk verouderde Tivoli en bezochten we in totaal zeven keer de Carlsberg Brouwerij, omdat het na de rondleiding gratis drinken was. En ik schreef. Schriftjes vol woorden. Over idealen en vrede en gelijkheid en broederschap en liefde en Vietnam. Onschuldige weken. Een jongetje op ontdekkingsreis. Ontdekkingsreisje is een beter woord. En wat ontdekte ik? Mezelf?

Toen ik terugkwam, huilde mijn moeder lieve tranen. Ik had haar ongerustheid niet begrepen. Nu wel. Of mijn zoon van zeventien alleen Europa in mag? Ik hoop dat hij het zijn moeder niet aandoet.

Maar de toon was gezet. Jaren heb ik amper treinen gezien. Liften was volkomen normaal. Niet alleen voor mij. Voor iedereen. Als je iemand vroeg: „Hoe ga je er heen?” dan was het antwoord: „Liften!” En dan heb ik het niet over vakanties. Liften was gewoon een van de vervoermiddelen naar overal en nergens.

Maar vooral de vakanties herinner ik me. Lekker lang liften en altijd alleen. Eenzaam? Juist niet. Als je met zijn tweeën bent, dan heb je geen reden om op zoek te gaan naar een tegenspreker. Je kabbelt en babbelt je gezellig door de drie weken heen. Dat is pas eenzaam. Maar als je werkelijk alleen bent, dan ga je na een dag of wat met jezelf praten toch maar eens op zoek naar iemand anders. En het aardige is dat je dan vaak in gesprek raakt met mensen die ook om een praatje verlegen zitten. Types waar altijd wel iets aan los zit.

Want neemt u van mij aan: mensen die lange tijd alleen onderweg zijn, daar is vaak iets mee. Iets ergs? Integendeel. Het zijn individuen met wie je niet over de hypotheekrente hoeft te praten. En ook niet over aangeharkte gazonnetjes met daarop plastic tuinstoelen. Waarover dan wel? Meestal nergens over. Voor mij nog altijd de prettigste gesprekken.

Youp van ’t Hek