Toch maar afkloppen

Ook veel rationele mensen lopen liever niet onder een ladder door. Psychologen ontdekten waarom niet.

Ellen de Bruin

Monsieur Hulot in de film ‘Mon Oncle’ van Jacques Tati (1958). filmmuseum

Grootmoeders wijsheid: neem altijd een paraplu mee, want dat verkleint de kans dat het gaat regenen. Natuurlijk geloven hoogopgeleide, weldenkende mensen dat niet écht. Maar toch... toch zijn ze vaak niet erg geneigd om het lot te tarten. Zeggen ze liever niet hardop dat het nu al zo lang zo goed met hen gaat, dat ze verwachten dat ze die komende promotie ook wel weer krijgen. Ruilen ze hun staatslot liever niet met een ander – zul je net zien dat het dan het winnende lot blijkt. En vermoeden ze, ondanks zichzelf, dat de kans groter is dat de docent hun in de les iets zal vragen als ze hun huiswerk niet hebben gedaan.

Psychologen Jane Risen van de universiteit van Chicago en Thomas Gilovich hebben nu uitgeplozen hoe dat soort bijgeloof kan blijven bestaan, zelfs wanneer de bijgelovige er niet echt in gelooft (Journal of Personality and Social Psychology, augustus 2008). Ze baseren zich voor een deel op bestaand en voor een deel op nieuw, eigen onderzoek.

bijstuurt

Om te beginnen beschikken mensen over twee informatieverwerkende systemen: één dat snel en automatisch te werk gaat, en waar geen aandacht of moeite voor nodig is; en één dat langzamer werkt, maar wel rationeel, en dat het eerste aanvult, bijstuurt of corrigeert. Het is volgens de psychologen (in het hoog opgeleide Westen) vooral het eerste systeem, het onbewuste en intuïtieve, dat bijgelovig is. Eerder toonden Risen en Gilovich al aan dat mensen veel minder geneigd zijn om loten te ruilen wanneer hun verteld werd dat ze op hun intuïtie moeten afgaan dan wanneer ze rationeel moesten denken. In het nieuwe onderzoek bleken mensen ook bijgeloviger als ze tijdens het beantwoorden van de vragen van 564 terug moesten tellen in stappen van 3. Dat belemmert niet het intuïtieve systeem, aldus de onderzoekers, maar wel het bewuste, rationele denken: dat stuurt dan niet genoeg meer bij.

Verder, redeneren de psychologen, wordt de aandacht van mensen van nature automatisch altijd meer getrokken door iets negatiefs dan door iets positiefs – een boos gezichtje op een pagina vol lachende gezichtjes valt meer op dan het omgekeerde, een psychologisch mechanisme om ons te beschermen tegen mogelijk onheil. En doordat we toch al staan afgesteld in de better safe than sorry-stand, is het heel gemakkelijk om te bedenken hoe dingen vreselijk mis kunnen gaan. Als iemand een promotie misloopt terwijl hij erover heeft lopen opscheppen dat hij die zou krijgen, is dat extra erg. Zo erg, dat mensen bij zo’n opschepper meteen al denken: wat als hij die promotie misloopt, hoe zou dat voelen?

En dan komt de volgende stap in Risens en Gilovich’ betoog: als iemand zich een gebeurtenis inbeeldt, lijkt het daardoor voor diegene alsof de kans groter wordt dat het ook echt zal gebeuren. Die gebeurtenis wordt namelijk toegankelijk in iemands gedachten en lijkt daardoor waarschijnlijker. Een denkfout: weliswaar is het gemakkelijker om je alledaagse gebeurtenissen voor de geest te halen dan heel zeldzame, maar dat betekent nog niet dat iets wat gemakkelijk voor de geest te halen is, ook veel voorkomt. Toch is dat een denkfout die veel mensen – automatisch, intuïtief – maken. Bijvoorbeeld als ze zeggen dat roken nooit heel slecht kan zijn omdat hun opa er honderd mee is geworden (en dus vast veel meer mensen, is impliciet het idee).

Risen en Gilovich hebben nu aangetoond dat het ook zo werkt met bijgeloof: als iemand het lot tart (of nadenkt over de mogelijkheid dat zelf te doen), bedenkt diegene automatisch hoe fout dat kan gaan, en acht hij het daardoor waarschijnlijker dat het fout gaat.

cadeau

In één van hun experimenten lieten de psychologen hun proefpersonen bijvoorbeeld een verhaaltje lezen over Jon die, terwijl hij afwacht of hij op de prestigieuze Stanford University wordt aangenomen, alvast een cadeau gekregen Stanford-T-shirt gaat dragen of (in een andere versie) dat shirt onderin een la stopt. Daarna kregen de proefpersonen te lezen dat Jon was afgewezen. Proefpersonen die hadden gelezen dat Jon het shirt al had gedragen, zeiden ruim een seconde sneller dat dat een einde was dat wel bij het verhaaltje paste (er kwamen ook verhaaltjes met totale onzin-eindes in het onderzoek voor), dan proefpersonen die hadden gelezen dat Jon het in een la had gestopt.

Die eerste groep had zich kennelijk al voorgesteld dat het mis zou gaan. Ze achtten de kans dat het mis zou gaan ook groter dan de tweede groep, en uit nadere statistische analyses bleek dat dat volledig samenhing met hun snelle reactie, met de toegankelijkheid van het misgaan dus in hun gedachten. Met andere woorden, de proefpersonen achtten de kans dat het misging groter doordat ze het zich hadden voorgesteld.

Mensen doen dus gemakkelijk aan ‘magisch denken’ als ze hun verbeeldingskracht gebruiken én als ze vertrouwen op hun intuïtie in plaats van op hun rationele vermogens. Overigens is het opvallend dat dit weer eens een onderzoek is waaruit blijkt hoezeer de menselijke intuïtie er naast kan zitten – de laatste jaren lieten psychologen vooral vaak zien dat ons onbewuste zo slim zou zijn.