Thaise curry

Comfort food, noemen de Engelsen het; de gerechten waarmee we onszelf troosten als we ongelukkig zijn. Vandaag het troostrecept van kunstenaar Jan Rothuizen.

Foto Jørgen Krielen © Jorgen Krielen / Amsterdam, 29-07-2008 / Jan Rothuizen Krielen, Jorgen

‘Mijn vriendin is zwanger en ineens ligt het huis vol zakjes drop en zuurtjes. Ik heb niet veel met snoep, maar ik herinner me dat ik als kind een keer een rolletje Stophoest had gekregen. Dat ik ’s nachts in bed lag, met zo’n bruin snoepje tussen tong en verhemelte. De sensatie: hoe het zacht werd, de gaten erin vielen en het uiteindelijk uit elkaar viel.

Toen ik voor het eerst curry had gegeten, wilde ik het meteen zelf maken. Het zelf kunnen. Ik ben naar een toko gegaan en daar hebben ze me uitgelegd hoe het moest.

Soms loop ik overdag over straat en dan kan ik de smaak al proeven in mijn mond. De troost zit ’m erin dat het dan ’s avonds, als ik achter het fornuis sta, precies zo moet worden als ik me voorgesteld had. De groente zacht, maar niet té. Het vlees niet te droog.

Toen ik nog alleen woonde, maakte ik het heel vaak voor mezelf. Op van die avonden dat je nergens anders zin in hebt dan thuis zijn. Waarop je de behoefte voelt de boel dicht te gooien. Eerst ga ik hamsteren: boodschappen doen en een dvd huren. Dan naar huis, de gordijnen dicht en koken. Op zulke avonden eet ik mijn curry het liefst uit een kommetje voor de televisie. Zo’n warm bakje tegen je buik.

Maar ik maak het ook vaak als er iemand bij me komt eten. Dan koop ik bij de toko de meest exotische Thaise groente die ik kan vinden, van die rare knolcourgette-achtige dingen. Daar maakt je indruk mee, heb ik gemerkt. Dan denkt iedereen dat je heel goed kunt koken.

Je kunt het zo pittig maken als je zelf wilt. Zelf eet ik fors heet. En dan door dat hete heen eten. Als een iets te warme douche. Dat is ook een deel van de troost.

Ik verblijf regelmatig langere tijd in het buitenland. Toen ik in Rome woonde, miste ik niet de bekende bruine boterham met kaas, ik miste mijn curry. Het Italiaanse eten is natuurlijk heerlijk, maar na een week of twee voelde ik een grote behoefte om mijn smaakpapillen te bevestigen. Weer even te voelen dat ze er nog waren, alle zoveel-miljoen. Ik vroeg overal waar ik een Thais restaurant kon vinden, maar niemand snapte wat ik bedoelde. ‘Oh’, zei uiteindelijk iemand, ‘you mean an ethnic restaurant’. Dan moest ik achter het station zijn. Ik vond er – na lang zoeken – geen Thai, alleen een redelijk Indiaas restaurant.

De afgelopen paar keer neem ik als ik op reis ga zo’n kuipje curry-pasta mee. De rest van de ingrediënten probeer ik op locatie bij elkaar te scharrelen. Lukt dat niet, dan haal ik gewoon af en toe dat bakje pasta uit de koelkast en ruik ik er even aan. Dan ruik ik thuis.”

Roos Ouwehand