Peking blijft zoeken naar positie in de wereldpolitiek

De Chinese strooptocht naar grondstoffen in andere landen illustreert China’s status als wereldmacht, klinkt het vaak. Professor Zha Daojing in Peking trekt die analyse in twijfel.

Chinese ingenieurs van het bouwbedrijf China Wuyi Company bij de aanleg van een weg bij Isiolo, ruim 300 kilometer ten noorden van de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Foto Reuters Wu Yi Bao (R), a road construction project manager with China Wuyi Company, talks to a colleague at the site near Isiolo town, about 320 km (200 miles) north of Kenyan capital Nairobi, July 7, 2008. The road which will join Isiolo town and Ethiopia is being built by China Wuyi, a Chinese state company, and funded by African Development Bank and the Kenyan government. The project will cost 48 billion Kenya shillings ($735 million), according to the Chinese company. Picture taken on July 7, 2008. REUTERS/Antony Njuguna (KENYA) REUTERS

Nog voor de eerste medaille is uitgereikt, heeft de opkomende supermacht China gisteren het buitenlandpolitieke en -diplomatieke goud al binnengehaald, constateert professor Zha Daojing van de School voor Internationale Studies van de Universiteit van Peking opgewekt.

Maar, voegt Zha er meteen aan toe, uit het grote aantal belangrijke gasten mag niet worden geconcludeerd dat China nu een echte supermacht is. „Ik vind vooral de Amerikaanse analyses over de ‘coming out’ van China als grootmacht nogal overdreven en te angstig van toon.” Een land waar 250 miljoen inwoners minder dan een dollar per dag verdienen, is die status nog niet waard, vindt hij. Een land waar bovendien tijdens een grote natuurramp – de aardbeving in Sichuan begin mei – het leger niet effectief optreedt bij de eerste hulpverlening is dat ook niet.

Zha: „Je kan een grootmacht definiëren aan de hand van het vermogen snel en adequaat en met voldoende middelen te reageren op een calamiteit. Het Chinese leger is in Sichuan niet door die test gekomen. Er waren niet genoeg helikopters en soldaten moesten slachtoffers bevrijden met hun blote handen. Dat past niet bij een grootmacht.”

Zha behoort niet tot dat deel van het Chinese buitenlandpolitieke kader dat kritiek op de Chinese steun aan de regimes in Zimbabwe en Soedan meteen afdoet als een „westerse lastercampagne”. Ook Zha vraagt zich af wat China precies bedoelt met de slogan „Eén Wereld, Eén Droom” als hij de verrichtingen van Chinese diplomaten en politieke bureaucraten in Peking volgt.

Met zicht op de loverrijke, uitgestrekte campus van China’s belangrijkste universiteit zegt Zha: „Het is waar dat het ons in China weinig kan schelen wat er gebeurt in de landen waar wij grondstoffen winnen. Dat komt vooral omdat wij 25 tot 30 jaar geleden in dezelfde positie verkeerden. Toen was het hier een arme chaos en onze grondstofvoorraden werden geplunderd door de Sovjet-Unie. Ik was pas in Soedan en het ruikt en voelt daar als het China van mijn jeugd.”

Daar komt bij, zegt Zha, dat „wij Chinezen weinig compassie opbrengen voor andere Chinezen buiten onze eigen familiekring. We zijn niet erg vrijgevig ingesteld. En die gierige instelling speelt door in ons buitenlandbeleid. Onze leiders en bureaucraten weten uit eigen ervaring wat armoede is en hebben zichzelf met hard werken omhooggewerkt.”

Het is volgens Zha wat dat betreft nieuw dat het buitenlandbeleid van China anno 2008 in hoge mate wordt bepaald door de Chinese behoefte aan energie, olie, ijzererts, koper, kolen, uranium – voor kerncentrales, diamanten en landbouwproducten.

De relaties met de VS, Japan en de EU zijn uitstekend en debatten over mensenrechten behoren tot de categorie „we zijn het er over eens dat we het oneens zijn”. Tibet speelt ondanks alle media-aandacht en protesten geen rol van betekenis in het Chinabeleid van de regeringen in de VS en Europa. De problemen met de Aziatische buurlanden zijn geregeld of geneutraliseerd en de kwestie Taiwan heeft – in elk geval tijdelijk – aan scherpte verloren. In Zuidoost-Azië, zo blijkt uit peilingen, wordt steeds positiever gedacht over China.

China investeert in 35 landen van Afrika in aan grondstoffen gerelateerde projecten. Soortgelijke projecten zijn in gang gezet in Iran, Afghanistan en de voormalige republieken van de Sovjet-Unie. Het naar grondstoffen hunkerende China is bovendien hoofdafnemer van Venezolaanse olie en Braziliaans ijzererts. „Die statistieken vertellen mij dat we een nijver volk zijn. Maar dat wil nog lang niet zeggen dat we daarmee ook een nieuwe supermacht vertegenwoordigen”, relativeert Zha.

„China is ook geen grootmacht als je de economische groei en de investeringen in het leger meetelt. China is vooral een behoedzame volger. Wij kijken, wij luisteren, we studeren, maar we zullen nooit leiden, zoals een supermacht doet. Het debat over het soort buitenlandbeleid dat gevoerd moet worden – een radicaal eigen koers of een gemodereerd beleid – is nog lang niet afgerond.”

Zha gebruikt de dagelijkse praktijk van het Chinese buitenlandbeleid om het huidige debat in China te illustreren. „We kunnen ons in Zimbabwe, dat misschien een bron voor uranium wordt, best wat fricties met de VS veroorloven. We hoeven daar niet voortdurend de westerse normen te volgen, bovendien komt het goed uit om ons aan te sluiten bij de lijn van de Afrikaanse Unie [die president Mugabe van Zimbabwe niet krachtig wilde veroordelen nadat hij met veel geweld de verkiezingen in zijn land won, red.]

„In Iran”, aldus Zha, „zijn de belangen veel groter en complexer. We hebben de Iraanse olie nodig, maar willen ook Amerika niet van ons vervreemden. Dus daar wordt heel behoedzaam geopereerd. Dat kunnen we heel erg goed. Bush was vol lof.”

Afrika, zegt Zha, is in de allereerste plaats een wingewest, net als het Midden-Oosten. „Wij hebben helaas geen andere bedoelingen, zoals armoedebestrijding en economische ontwikkeling. Onze leiders weten nog niet wat ze willen en hoe de zaken zich ontwikkelen. Chinezen zijn niet populair in sommige Afrikaanse landen, omdat wij geen Allahs hebben en bijvoorbeeld door de moslims gezien worden als goddelozen. Misschien worden we er nog wel een keer uitgegooid.”

Chinese ondernemers van minder hoogstaand allooi – de eigenaren van massageketens, gokclubs en nachtclubs – die momenteel massaal in Afrika neerstrijken, versterken de slechte reputatie van China. „Denk maar niet dat wij populair zijn in Soedan of Algerije. Ik kreeg van een Soedanese minister te horen dat wij Chinezen ons daar gedragen als criminelen. En hij doelde op een Chinese restaurant-eigenaar in Soedan die alcohol verkoopt en een landgenoot die een bordeel heeft.”

Op de lange termijn levert het negatieve imago van China in Afrika volgens Zha problemen op. „Onze aanwezigheid is in de toekomst niet gegarandeerd omdat de regimes van mening kunnen veranderen. Soedan bijvoorbeeld is uit op erkenning door de VS. Niet door China.”

De onzekere toekomst van China in Afrika en het Midden-Oosten hangt in Zha’s ogen samen met het feit dat China veel te weinig doet aan echte armoedebestrijding in de landen waar het actief is. En dat zal niet snel veranderen. Beslissingen worden door de Chinezen bij consensus genomen. Daardoor duurt het lang voordat in Peking de betreffende bureaucratieën, buitenlandse zaken versus handel en energie, op één lijn zitten.

Zha: „De tijd van de ene grote leider in China die alle beslissingen neemt, is voorbij. Daar komt bij dat onze huidige leiders, president Hu is een uitzondering, nog te weinig buitenlandervaring hebben.” Maar dat neemt volgens Zha niet weg dat met de economische ontwikkeling van China en de daarmee gepaarde gaande groei van buitenlandse activiteiten de roep toeneemt om in de wereld meer verantwoordelijkheid te dragen. Secretaris-generaal Ban Ki-moon van de Verenigde Naties deed dat onlangs expliciet.

Als Zha zijn kantoor heeft verlaten en per taxi onderweg is naar zijn appartement in Noordwest-Peking gaat hij verder. „Dat er druk op China wordt uitgevoerd is ontegenzeggelijk waar, maar dan moet je wel weten welke verantwoordelijkheid je wilt dragen. En dat weten we nog niet”, wijst hij op het zwakke punt van het Chinese buitenlandsbeleid.

„Neem het milieubeleid. Onze wetenschappers weten in China al jaren wat de problemen zijn en wat de oorzaken zijn van de verandering van het klimaat. We weten dat ook wij moeten bijdragen aan een oplossing. Maar tot creatieve actie zal het niet snel komen. Want hierover kunnen de verschillende ministeries die bij de milieuproblematiek een rol spelen het niet eens worden. Intussen kunnen we ons verschuilen achter de VS, maar ik weet niet of het verstandig is dat ik dit soort dingen zeg.”