Peking 2008

Altijd weer zijn Olympische Spelen een zielsverhuizing. Ik haat begrafenissen, fanfares, speeches en vlagvertoon, maar het ceremoniële gekletter van magie, kleur en klank in Peking ontroerde wel. Ergo: ik had de erehaagmeisjes graag innig willen zoenen. Ik had hun temperatuur van verlangen en verwachting graag willen aannemen. De glimlach lukte niet zo goed, met mijn oude knoken, maar ik voelde hem wel.

Peking 2008.

Is het sport? Is het politiek? Is het esthetiek? Een eenvormig antwoord is niet mogelijk. Het is een imbroglio van verlangen en verwondering. Tegelijk hoogmis en dankmis. Tegelijk rock ’n roll en romantiek. Het objectieve gemiddelde bestaat niet bij Olympische Spelen. Ook niet het gemiddelde van geweten. Je bent voor óf tegen. Een keuze die de Nederlandse regering nooit heeft gemaakt. Maxime was tegen, Jan Peter was voor.

CDA-sukkels.

Allicht kun je je vragen stellen bij het spektakel van gevleugelde foetussen die in gedrilde parade de Olympische Spelen toelachen. Strijdbare strijkijzers van hemelse vreugde. Allicht had IOC-voorzitter Jacques Rogge in zijn speech een waas van gebedshouding kunnen aannemen. Of toch de keelklank van een requiem voor Tibet. Allicht had Pieter van den Hoogenband kunnen roepen dat hij meer Tibetaan dan Chinees is.

Allicht is God onder ons.

Ik heb me altijd vastgeklampt aan het olympische ideaal van Anton Geesink. Ik hoor het hem nog zeggen: „Goede vriend, weiger in schaamte te leven.” Anton hoor je nooit meer. En dat is toch een gemis. Komt het door de verdoken censuur van zijn vriendin Erica Terpstra? Is Anton moe en der dagen zat? Voor mij is hij het IOC, duizend keer meer dan Willem-Alexander. De laatste is ingehuurd, Anton is bloedgroep.

Anton en Stans Geesink: niets in Nederland is olympischer dan dit koppel. Niets is strakker in de leer van sport en discipline dan deze asceten in oude roem. Ja, Anton was ook oorlog. Met het NOC*NSF, met ijdeltuiten van de pers, met zijn onverwerkt verleden van bouwvakker. Een charmeur in oorlog.

Waar is hij? Waarom hoor ik hem niet? Wie heeft hem tot de stilte van een grondeloze introspectie gebracht? Misschien is hij ontmoedigd door het populisme van Hein Verbruggen. Misschien is de last van zijn knieën opgeklommen tot juk in het hart. Nog één keer: Anton, ik mis je.

De openingsceremonie van de Olympische Spelen is sowieso altijd mooi. Het ultieme ideaal in choreografie. Soms met Mohammed Ali in het hoge licht van tv-zenders, soms met de porte parole van aboriginals: Cathy Freeman. Altijd geregisseerde ontroering.

Je kunt er cynisch over doen, maar wat is dan niet geregisseerd in ons dagelijkse leven? Marco van Basten van Ajax? Hij is toch zijn eigen bidprentje. Bert van Marwijk van Oranje? Hij is zijn eigen nederigheid. Ontroering en sport gaan allang niet meer samen. Er zijn nu andere wetten. In Peking en in Zeist. En ook in de Tour de France en straks in de Ronde van Lombardije. Marketingwetten. Dat moeten we onszelf kwalijk nemen, niet het Chinese volk.

Goed/fout in de oorlog: het is het eeuwige repetitio in Nederland. Eigenlijk is het puur snobisme, maar dat mag je niet zeggen in een land van buiksprekers.

Steller dezes wil lekker fout zijn in China. Ja, het blijft volk van de rochel, maar daar overheen ontvouwt zich een natie van getrapte democratie. Van hoop en glorie. Niet een tweede Afrika in vergetelheid. Je zou bijna denken: met stokjes eten is beschaving. Misschien wel geluk.

Jacques Rogge heeft in zijn openingsspeech niet verwezen naar mensenrechten en andere humanitaire besognes. Hij hield het op doping en moraal. Op de olympische eed. Wat moet je anders, als IOC-voorzitter? Hij is tenslotte geen cabaretier. Balkenende is dat wel, maar hij heeft dan weer KLM, Ten Cate, de haven van Rotterdam en bankwezens aan de kont. Zo loopt hij ook: conglomeraat van belangen en nationalisme. De accordeonloop.

Peking 2008, ik blijf denken: hoera! Op zijn Erica Terpstra’s.

En natuurlijk weet ik dat Erica zwanger is van verdriet en verlies. Wie weet dat niet?

Wie kent haar ontheemding niet? Vrouw, gebroken in de knop van verlangen naar iets groots.

    • Hugo Camps