Na het grote pijnfestijn

Een zomerweek van dichteres Hagar Peeters (36). Ze beviel onlangs van een zoon.

H. Peeters met Abel Foto H. Peeters Peeters, H.

Donderdag 31 juli

Het ziekenhuisbed is inmiddels allang weer door een andere kraamvrouw in beslag genomen, de kraamzorg is weg, de verloskundige ook, en de baby en ik blijven alleen achter in het huis waarin we de komende jaren van ons leven zullen wonen. Nu al keur ik mijn buurtje op speelplaatsen voor later. Dat er zo weinig auto’s zijn, stelt me tevreden. Hij kan nog niks uit zichzelf, behalve ademhalen, en ik ben blij dat hij dat tenminste zelf kan zodat ik niet behalve melk op gezette tijden, adem aan hem toe moet dienen. Abel, zo heet hij. Het is Hebreeuws voor ‘adem’, want het was de adem waarmee ik de pijn van de weeën op kon vangen. Er werd van tevoren gezegd: ‘Niemand die nooit een wee heeft gehad, kan zich er een voorstelling van maken hoe het is er een te hebben. En wie de bevalling achter de rug heeft, vergeet meteen weer hoe het was. Niemand zou een wee kunnen beschrijven.’ Maar het is vandaag twee weken en één dag geleden dat Abel ter wereld kwam, en ik weet het nog precies.

Eén groot pijnfestijn, dat was het, van zo’n kracht dat het lichaam het volledig overnam met kennis die op zulke momenten in het lichaam zelf besloten blijkt te liggen. Omdat elk verzet zou tegenwerken, moest de ademhaling dienstdoen om de pijn de baas te blijven.

Het is alsof je eventjes deel hebt uitgemaakt van een groots en meeslepend natuurgebeuren, alsof je geheime oerkracht deelachtig bent geworden waarmee je anders nooit zou hebben kennisgemaakt. Ik ben het wonder nog niet helemaal te boven, en begrijp nog altijd niet hoe het kleine lichaam in mijn armen uit mij voortgekomen is.

Vrijdag

Vannacht wilde Abel elke twee uur drinken. Zijn kleine zuigmondje bewoog zich ’s nachts naar mijn tepel en klemde zich eraan vast. In halfslaap, halfwaak, voedde ik hem. ’s Ochtends was ik gebroken. Ik slaap heel licht, steeds beducht voor wiegendood. Vanochtend lag hij heel dicht op me en ik schrok, was even vergeten dat hij er was, samen met mij in bed. Ook vliegt hier een mug rond die mij, zodra Abel slaapt, uit mijn slaap begint te houden en die zelfs in het kleine lichaam van de baby heeft geprikt.

’s Middags, nadat ik geposeerd had voor een foto voor op de voorkant van Literair Magazine Passionate, moest ik naar het consultatiebureau om Abel te laten wegen – hij woog al 100 gram zwaarder dan bij zijn geboorte. Op het consultatiebureau werd me gevraagd hoe ik mijn eigen jeugd beleefde, want dat die beleving van invloed kon zijn op hoe ik het zelf als ouder ging doen. Bij mijn moeder heette het nog ‘alleenstaande moeder’ maar bij mij is het al veel hipper ‘single met kind’.

Op de terugweg miste ik de tram en moest tien minuten wachten op de volgende. Deze tien minuten huilde Abel hartverscheurend, en omdat hij in de draagdoek zat en er geen plek was om te zitten, kon ik zijn honger niet smoren aan mijn borst. De deur van een reclamebureau aan de overkant van de weg stond open, een jongen keek op vanachter zijn laptop en ik verontschuldigde mij voor het lawaai waardoor hij wellicht werd afgeleid. De jongen kwam zijn kantoortje uit en liep naar me toe, wijzend op foto’s van een campagne tegen het pesten van kinderen, die tegen de ramen van zijn kantoor waren geplakt. ‘Ben ik daarmee bezig, en zie ik jou nu hier met kind staan,’ zei hij grappig. Zijn ogen waren helder. Hij gaf me zijn kaartje, zei dat ik hem snel moest mailen.

Zaterdag

Sinds Abel mijn buik begon te bewonen tot nu toe, ben ik nog niet alleen de deur uitgeweest. Maar vandaag paste mijn moeder een paar uur op, en kon ik op mijn fiets de stad in. Voor het eerst sinds negen maanden en twee weken en een paar dagen was ik een paar uur lang helemaal zonder Abel. Ik moet nog het meest wennen aan het besef dat ik, toch zo gehecht aan mijn vaak zelfverkozen eenzaamheid, nu voor altijd voortdurend iemand anders in mijn buurt heb die aanhoudend van mij afhankelijk is. Ik fietste langs de kade naar het Centraal Station, de wind in mijn haren. Onderweg passeerde ik de Gay Parade. En misschien kwam het door de bevalling, of door het gebrek aan slaap dat ik extra gevoelig was, maar bij het zien van een stelletje homo’s met felle pakken en gekleurde pruiken die op schuiten in het IJ stonden te dansen, en de gedachte aan de terreur die homoseksuelen elders te verduren hebben, kon ik mijn tranen niet bedwingen. Goed zo! Schudden maar met die achterwerken, dacht ik, schud ze maar naar iedereen die je niet toestaat om jezelf te zijn!

Zo vrij als ik me voelde, zo vrij was Amsterdam. Maar al gauw sloeg mijn gevoel van vrijheid om in een gevoel van leegte. Het begon ergens in en rond mijn buik. Was ik eindelijk even van Abel verlost, wilde ik dat hij weer in mijn buurt zou zijn. Waren hier soms toch nog hormonen in de weer, mysterieuzere dan adrenaline en oxytocine? Hier had ik niets te zoeken. Ik spoedde me door de mensenmassa’s terug naar huis.

Zondag

Wordt hij niet door krampjes overmand, dan ligt hij te kijken naar de binnenkant van zijn wieg, die met witte katoen is afgezet en waarin de voltallige familie van mijn moeder nog als baby heeft gelegen. Hij strekt zijn handje uit naar de stof en betast die met al zijn vingers. Soms steekt hij zijn tong uit, of probeert alle spieren in zijn gezicht tegelijkertijd te bewegen. Zijn ogen zijn diepgrijs, nu nog. Soms als hij drinkt, dansen zijn handen langs zijn oren. Totaal verzaligd lijkt hij dan.

Vanmorgen bij het wakker worden, keek ik lang naar zijn slapende gezichtje. Hij heeft veel haar op zijn hoofd, een paar tinten lichter dan het mijne. Zijn wenkbrauwen, halfronde bogen die nog zo wit zijn dat ze wegvallen tegen het roze van zijn gezicht, zijn alleen te zien als het licht er vanaf een bepaalde hoek op schijnt. Ik raak niet op hem uitgekeken en niet moe alleen met hem te zijn.

Ik probeer te werken aan gedichten die ik in opdracht moet schrijven, maar de intervallen tussen de huil- en voedmomenten zijn steeds zo kort dat ik me er moeilijk op kan concentreren. Gelukkig heb ik het manuscript van mijn dichtbundel al voor de bevalling ingeleverd. Ik mis de euforiserende hormonen die me aan het einde van mijn zwangerschap zoveel energie gaven. Abel begint weer te huilen. Ik heb hem tot een kwartier geleden nog een half uur lang gevoed. Ik keer hem de andere borst toe.

Dacht toen ik naar de wc ging aan de hooiwagen die daar vorig jaar woonde toen ik nog iets met Abels vader had. Die vond het zo leuk dat het beest zijn kopje discreet afwendde als hij er stond te plassen. Ook de hooiwagen is verdwenen.

Maandag

Vandaag is de moeder van de vader van Abel plotseling overleden. Een week eerder overleed mijn eigen grootmoeder. Zo prijkt de naam van de kleine Abel al binnen de eerste drie weken van zijn leven op twee rouwadvertenties. Zowel grootmoeder als overgrootmoeder waren op de hoogte van zijn geboorte en zagen er erg naar uit hem te ontmoeten, en beiden hebben hem niet meer kunnen zien. Ik dacht aan de dierbaren en vriendinnen van wie ik niet of nauwelijks afscheid heb genomen omdat ik meende dat er nog wel voldoende tijd zou zijn, terwijl die er niet meer was. Ik nam mij voor om in de toekomst niet meer zo lang te wachten. Behalve ‘adem’ betekent Abel ‘vergankelijkheid’.

Dinsdag

Vanmiddag ging ik met Abel op het terras van café Del Mondo op de Nieuwmarkt zitten. Mijn vriendinnen Sandra en Minke, die Abel nog niet gezien hadden omdat ze op vakantie waren, kwamen ons op het terras gezelschap houden en we bleven er de hele middag. Het was fijn om zo buiten te kunnen zijn met die kleine tot krijsen geneigde, die nu heel zoet was en alleen begon te huilen als hij wilde eten, wat maar af en toe was. Dan hield ik hem aan de borst, gewoon op het terras. Zo lang hij mij maar bij zich heeft, heeft hij alles wat hij nodig heeft, en zo lang dit zo is, ben ook ik vrij om met hem te gaan en te staan waar ik wil.

Toen ik later, nog ontroerd dat ik zulke lieve vrienden heb, over de Zeedijk liep met Abel als zwarte knoedel in de draagdoek, hoorde ik opzij van mij een man in de deuropening van een van de cafés zeggen: ‘Ik dacht, wat heeft die dikke tieten, maar d’r zit een baby in.’ Ik dronk nog iets bij Himalaya, waarna een aardige Indische mevrouw Abel weer in de draagdoek hielp.

Woensdag 6 augustus

Voor de uitvaart van z’n moeder zouden ik en de vader van Abel een pak gaan kopen, met kinderwagen en al door de Kalverstraat, maar het regende keihard en de kinderwagen heeft geen regenscherm. Daarom ging hij alleen en na afloop kwam hij bij mij thuis. Toen Abel zijn zuigbehoefte kenbaar maakte, bood zijn vader, die gek op hem is, hem zijn geprononceerde neuspunt aan. Abel begon er gretig op te sabbelen als zag hij er een tepel in. Zo namen beiden elkaar bij de neus, die was als een lange snuit. Waarmee de olifant dit dagboek uitblaast.

    • Hagar Peeters