Mondiale kredietcrisis is verre van uitgewoed

De kredietcrisis duurt nu een jaar. Op 9 augustus 2007 greep de Europese Centrale Bank voor het eerst grootschalig in op de geldmarkt.

Beleggersgoeroe Jim Cramer is een opgewonden standje. Juist daarom is zijn beleggingsprogramma Mad Money op de Amerikaanse zakenzender CNBC zo populair. Maar op 3 augustus vorig jaar ging hij in het programma Stop Trading volledig door het lint. Zakenbank Bear Stearns had een dag eerder paniek op de beurzen gezaaid door te melden dat twee hedgefondsen van de bank de facto failliet waren. Cramer schreeuwde dat de baas van de Amerikaanse centrale bank, Ben Bernanke, de rente moest verlagen en de zogenoemde discount window (waar banken geld kunnen lenen) moest openen. „Hij heeft geen idee, geen idee, hoe hard het er aan toegaat buiten. We have Armageddon!”, tierde Cramer. Het filmpje, dat inmiddels miljoenen keren is bekeken op YouTube, is een kredietcrisisklassieker geworden.

Wat destijds als een overspannen reactie werd afgedaan, is harde realiteit geworden. Nog geen week na Cramers tirade brak de kredietcrisis in haar volle omvang los. Vandaag precies een jaar geleden greep de Europese Centrale Bank (ECB) voor het eerst grootschalig in op de geldmarkt, omdat banken elkaar niet meer vertrouwden en dus geen geld meer uitleenden. Een dag later meldde de ECB dat 49 banken hadden ingetekend en in totaal 94,8 miljard euro hadden geleend van de ECB tegen gunstige voorwaarden.

De injectie van de ECB wordt met terugwerkende kracht gezien als het officiële begin van de kredietcrisis. Wat in de maanden daarvoor nog beperkt leek tot een Amerikaanse hypotheekcrisis, bleek in de maanden daarna ineens wereldwijd slachtoffers te eisen onder financiële instellingen.

Ruim een maand na de eerste ECB-injectie viel de Britse bank Northern Rock ten prooi aan een echte bankrun, de eerste sinds 1866. Diverse topmannen (van onder meer Citigroup, Merrill Lynch en UBS) werden ontslagen. Dit voorjaar viel de vijfde zakenbank in de VS, Bear Stearns, bijna om. Concurrent JPMorgan Chase voorkwam door een overname, geholpen door de Federal Reserve, een implosie van het financiële stelsel.

Meer dan wat ook is de kredietcrisis een vertrouwenscrisis. De geldmarkt kwam tot stilstand omdat geen bank meer geld durfde uit te lenen uit angst besmet onderpand terug te krijgen. De premie die banken elkaar voor leningen in rekening brachten bovenop het ‘normale’ rentetarief explodeerde en staat nog steeds fors hoger dan een jaar terug. Banken en verzekeraars zijn in een jaar tijd ruim 1.600 miljard dollar van hun beurswaarde kwijtgeraakt en schreven voor bijna 500 miljard dollar af op hun beleggingsportefeuilles, die vergiftigd bleken door de hypotheekobligaties.

Daar bovenop begon de reële economie te haperen. De cocktail van hoge grondstof- en energieprijzen, dalende huizenprijzen, groeiende werkloosheid, kleinere beschikbaarheid van kredieten en groeiende onzekerheid zet een rem op de economische groei en wakkert de inflatie aan. Centrale banken staan daarmee voor een enorm dilemma: de rente laag houden om de banken niet in problemen te brengen of die verhogen om de inflatie te bestrijden.

In de bijna dagelijks verschijnende analyses van zakenbanken, toezichthouders en adviesclubs is men eensgezind: de oorzaak van de crisis ligt primair in de lange periode van (vooral in de VS) extreem lage rente. Die maakte geld lenen belachelijk goedkoop en dreef beleggers richting risicovolle producten waarop het rendement weliswaar hoger was, maar de kans op een mislukking ook. De ondoorzichtigheid van veel van deze gestructureerde beleggingen werd gecamoufleerd door achteraf gezien te hoge kredietwaarderingen door de kredietbeoordelaars. De onderlinge afhankelijkheid van kredietbeoordelaars en opdrachtgever staat nu ter discussie.

Meer weeffouten zijn aan het licht gekomen. De bonuscultuur wakkerde het nemen van (onverantwoord) grote risico’s aan. De kennis bij bestuurders, beleggers en toezichthouders over de gestructureerde producten bleek onvoldoende. En centrale banken staan steeds klaar als een commerciële bank in de problemen komt. Zij pompen belastinggeld in de financiële sector. Dat veroorzaakt de beruchte moral hazard, waardoor banken grotere risico’s nemen dan ze zonder die impliciete overheidsgaranties zouden doen.

De discussie over het bestrijden en voorkomen van de crisis is losgebarsten. Strengere regelgeving voor banken, vooral met striktere kapitaalseisen, lijkt onvermijdelijk. Maar ook: betere risicobeheersing, al te exotische producten verbieden en bonussen aanpakken. Meer regels leidt ook tot gemor. Economen, onder wie oud-Fed-baas Alan Greenspan, waarschuwen voor het verstikkende effect.

De kredietcrisis is verre van uitgewoed. Oplevingen ten spijt, gaat het eerder slechter dan beter met de financiële sector. Zelfs goed nieuws blijkt deze weken een zwart randje te hebben, zoals bleek bij de verkoop van een lading slechte leningen door zakenbank Merrill Lynch, eind vorige maand. Eerst was er opluchting dat de markt blijkbaar überhaupt weer bereid was te betalen voor de giftige pakketten aan hypotheekobligaties. Maar al snel verdween de euforie: Merrill kreeg voor elke dollar nominale waarde slechts 22 cent terug, een dieptepunt.

De actie van Merrill, die al verder ging dan welke andere bank dan ook, tekent de wanhoop die zich van zakenbanken heeft meester gemaakt om deze tijdbommen van de balans te halen. Nog steeds weet niemand wat ze waard zijn. Het beste zou zijn om ze nu direct tot nul af te schrijven, schrijft bijvoorbeeld de New Yorkse econoom Nuriel Roubini. De huidige stroom halfjaarcijfers laat zien dat geen enkele internationale bank zo ver durft te gaan. Die terughoudendheid tast de geloofwaardigheid van banken verder aan, maar de financiële instellingen hebben geen keus. Als ze alles in een keer zouden afboeken, komen ze in grote balansproblemen.

De crisis is zich ook aan het verspreiden. Waar het oorspronkelijke probleem het aantal wanbetaling betrof op de zogeheten subprime-hypotheken (voor mensen met de laagste kredietwaardigheid), vliegt het percentage gemiste aflossingen nu ook omhoog bij de alternative-A hypotheken (alt-A’s, voor mensen met een iets betere kredietwaardigheid). Het aantal faillissementen in deze categorie verviervoudigde in een jaar van 3 naar 12 procent. De poel aan deze ‘liars loans’ (‘leugenleningen’, omdat mensen ongestraft mochten liegen over hun inkomsten) is vele malen groter dan die van de subprimes. Financiële instellingen die tot nu toe vooral hebben afgeschreven op hun subprime-obligatieleningen, ontkomen er waarschijnlijk niet aan ook fors af te schrijven op alt-A’s.

Als gevolg van de uitbreiding van de hypotheekcrisis komen Amerikaanse hypotheekbanken in grote problemen. De overheid moest vorige maand nog Freddie Mac en Fannie Mae, samen goed voor 5.300 miljard dollar aan uitstaande en gegarandeerde hypotheken, te hulp schieten.

En dan zijn banken ook nog op andere leningen aan consumenten en bedrijven voorzichtig gaan afschrijven. Creditcardmaatschappijen rapporteren meer wanbetalers. De gemiddelde Amerikaan bezwijkt in het huidige economische zware weer onder de hoge schuldenlast die hij in de goede tijden is aangegaan.

Twee maanden geleden durfden optimisten als de Amerikaanse minister van Financiën Hank Paulson nog te beweren dat het ergste voorbij was. Dat doet nu niemand meer. Per saldo lijkt het einde van de kredietcrisis na een jaar eerder verder weg dan dichterbij.

Filmpje van Jim Cramer via nrc.nl/kredietcrisis

    • Daan van Lent
    • Egbert Kalse