Meer dan een jongensclub

De vrijmetselarij bestaat in Nederland ruim 250 jaar. Het genootschap wordt steeds transparanter, maar de waas van geheimzinnigheid blijft. „Wij zijn niet zo van: kijk ons eens effe.”

Diederik van Rossum en twee vrijmetselaars Grootmeester Diederik van Rossum -Fotobureau Paul Mellaart vof - Tel 043 350 05 25 Mellaart, Paul

‘Broeder, wilt knielen op uw rechterknie en mij zo dadelijk volgen in de arbeid aan de ruwe steen. Die ruwe steen bent u zelf. En om daar een zuivere kubiek uit te krijgen, gereed voor de bouw aan de tempel, dient u daaraan te arbeiden.’ Twee mannen in rokkostuum en witte handschoenen hurken neer op de zwart-wit geblokte vloer van de loge. Een van hen begint te beitelen in een steen die op de grond ligt en geeft de beitel na een paar slagen over aan de ander.

Zo eindigt het inwijdingsritueel in de vrijmetselaarsloge, waarna een ‘vrije man van goede naam’ die zich bij het genootschap wil aansluiten, zich leerling-vrijmetselaar ofwel ‘maçon’ en logebroeder mag noemen. Zo gaat het al meer dan 250 jaar. Maar terwijl het ritueel voorheen binnen de muren van de loge bleef, is er tegenwoordig een filmpje van te zien op YouTube. In de transparante samenleving is ook de vrijmetselarij uit het verborgene getreden.

Diederik van Rossum, sinds 2003 grootmeester (lees: voorzitter) van het Grootoosten der Nederlanden waarin de vrijmetselaarsloges zijn verenigd, is blij met die openheid. In het hoofdkantoor van het Grootoosten, een statig pand aan de Haagse Prinsessegracht, ontvangt hij op een zonnige morgen zijn bezoek. Aan de muren van zijn ruime werkvertrek hangen schilderijen van illustere voorgangers, onder wie twee prinsen van Oranje uit de negentiende eeuw. Van Rossum, in het dagelijks leven psycholoog en vader van vier kinderen, gaat gekleed in driedelig pak. Maar in spreken en handelen is de grootmeester informeel, bijna joviaal zelfs.

Veel heilige huisjes in de vrijmetselarij gingen onder Van Rossums bestuur tegen de vlakte. Zo kreeg de IKON in 2006 van hem carte blanche om voor een documentaire een jaar lang met de broederschap mee te lopen. Ook in de loges zelf mocht worden gefilmd, door een vrouw nota bene. Het was een unicum. „Dan moeten een paar mannen wel zes keer slikken”, bekent Van Rossum. „Maar achteraf vond niemand dat het niet kon.” De logebroeders hebben niets te verbergen, benadrukt Van Rossum. „Waarom zouden we geheiminnig moeten doen? Er zijn pentekeningen uit de 18de eeuw waarop alles te zien is. Toch hebben wij in Nederland ook nog leden die het verenigingsblad in een gesloten envelop laten thuisbezorgen. De buren mogen het niet weten.”

Het mysterieuze karakter van de vrijmetselarij wijt de psycholoog Van Rossum aan het feit dat alleen mannen lid mogen zijn. „Mannen houden wel van die jongensclubgeheimpjes. Maar dat heeft niets met de vrijmetselarij te maken.” Toch worden buitenstaanders niet toegelaten bij de inwijdingsrituelen. Van Rossum spreekt liever van ‘besloten’ dan van geheime bijeenkomsten. „In een gezin hecht je ook aan privacy.”

In de vrijmetselaarsrituelen moeten de symbolische handelingen leiden tot zelfontplooiing en spirituele ontwikkeling. De vrijmetselaar doorloopt drie graden: die van leerling, gezel en meester. De leerling werkt vooral aan zichzelf, voor de gezel is zijn medemens het aandachtspunt en de meester spant zich ook in voor de samenleving. Van Rossum: „Het idee van een tempel: maak van de wereld een ruimte waar het voor de mensen goed toeven is.”

De symboliek in de rituelen is ontleend aan middeleeuwse steenhouwersgilden en is overal in de loge terug te vinden, zoals de passer en winkelhaak die het wapen van de vrijmetselarij sieren of het stoffen schootsvel dat de broeders om hun rokkostuum binden. Padvinderij, zeggen critici. „De vrijmetselarij voor joker zetten als een soort carnavalsvereniging is natuurlijk gemakkelijk”, pareert Van Rossum. „Je neemt wat foto’s van mannetjes in rare pakkies en klaar is kees. Dan ontdoe je het dus van zijn symbolische waarde.”

Hoewel er altijd een opengeslagen bijbel in de logeruimte ligt, is de vrijmetselarij geen christelijke stroming. „De inhoud van de Bijbel zelf speelt geen rol, maar het is een symbool voor de wetmatigheden der natuur. In een islamitisch land ligt daar bijvoorbeeld de koran, in India de vedas of de bhagavad gita.” De vrijmetselarij erkent wel een hoger beginsel, dat wordt aangeduid als de opperbouwmeester des heelals. Aan dat begrip mag de maçon zijn eigen invulling geven. Zelf houdt Van Rossum het op „een werkzaamheid in de wereld waarvan we de verschijnselen wel zien, maar de bron niet kennen.”

Op 26-jarige leeftijd, in het laatste jaar van zijn studie, werd Van Rossum lid van de orde. Zijn vader zat ook bij een loge, zijn broers niet. Zingeving is wat hem in de vrijmetselarij aantrok. „Die spirituele kant is essentieel. In de rituelen gebeurt wel degelijk iets, want in elk mens werken mysterieuze krachten. Als het alleen een soort humanistische methode wordt, zonder spirituele lading, zul je het nooit redden.”

Onder het voorzitterschap van Van Rossum is het ledental van de orde aanzienlijk gestegen. Vorig jaar werden er 440 neofieten tot vrijmetselaar gewijd, een record. Toch wordt niet actief geworven en moet de ‘profaan’, zoals de niet-vrijmetselaar wordt genoemd, zelf op de deur van de loge kloppen. Die is tegenwoordig via internet in een muisklik te vinden. „Als grootmeester heb ik veel duidelijker gemaakt waar de deur is. Toch heb ik hem niet opengezet: je moet kloppen.”

Bart Wentholt is iemand die onlangs op de logepoort klopte. Na een ernstig auto-ongeluk raakte hij geïnteresseerd in alternatieve geneeswijzen. Tegenwoordig heeft hij een praktijk voor alternatieve therapie. Hij zoekt naar een plek om zich „spiritueel te ontwikkelen” en de werkwijze van de vrijmetselaars spreekt hem aan. „Ik wil graag iets doen in mijn eigen traditie. Het taoïsme vind ik erg mooi, maar ik ben geen Chinees.”

Om toe te treden tot de broederschap heeft Wentholt eerst een aantal gesprekken gevoerd met een soort ballotagecommissie. Daaruit moest blijken dat beide partijen iets aan elkaar hebben. Guido Stordiau, voorzitter van de Haagse loge De Vriendschap, spreekt van een strenge voorselectie. „In tegenstelling tot een sekte kom je er bij ons heel moeilijk in en ben je er zo weer uit. Je moet je er wel thuisvoelen.” Toch gebeurt het maar zelden dat een kandidaat wordt afgewezen. „Sommigen haken zelf af in de voorselectie, voornamelijk omdat ze gaan twijfelen door berichten die ze horen uit de VS. Dat de vrijmetselarij uit is op de wereldheerschappij en dat soort onzin.”

Samenzweringtheorieën zijn van alle tijden en de vrijmetselarij heeft het van oudsher altijd moeten ontgelden. Een rondgang op internet levert een baaierd van websites op die de vrijmetselarij beschuldigen van satanistische praktijken en wereldwijde manipulatie. „Het is heel griezelig om te weten dat veel regeringsleiders vrijmetselaars zijn”, schrijft hans69 op een internetforum. En ook: „De top van de vrijmetselarij hangt puur satanisme aan.”

Van schrijver en complotdenker Robin de Ruiter verscheen vorige maand het boek Worldwide Evil and Misery, met een hoofdstuk over de vrijmetselarij. Volgens De Ruiter zijn er binnen de vrijmetselarij geheime loges actief, waar de ‘gewone leden’ niets vanaf weten. „Het is een eliteclub die uit is op de wereldheerschappij”, vertelt De Ruiter vanuit zijn woonplaats Enschede. „Die verborgen machten zitten achter de hoogste graden, in de top van de vrijmetselarij. Zelfs veel grootmeesters weten niet wat er zich werkelijk achter de schermen afspeelt.”

„Lariekoek”, schampert Van Rossum. „De gedachten van buitenstaanders over de vrijmetselarij zijn bijna interessanter dan de vrijmetselarij zelf, denk ik weleens.” Hoe komen die verhalen dan de wereld in? „Simpel”, zegt de grootmeester. „De vrijmetselarij is een oude vereniging. Ouder dan de monarchie en ouder dan welke politieke partij dan ook. Dan gaan mensen fantaseren en zich dingen voorstellen.” Een paar jaar geleden hield hij nog een voordracht over de rol van de vrijmetselarij in de Da Vinci Code. Er kwamen driehonderd mensen op af. „Complottheorieën zijn bedenksels die mensen leuk vinden. Het is allemaal een beetje opwinding om niks.”

Toch raakte de vrijmetselarij in landen als Engeland en België enkele jaren geleden nog in opspraak. Politici zouden hun maçonnieke netwerk misbruiken. Zoals Willy Claes, tevens vrijmetselaar, die zich in 1995 in het Belgische parlement moest verdedigen tegen beschuldigingen van corruptie. Volgens een artikel in De Standaard had hij in symbolische, maçonnieke taal steun gezocht bij zijn medevrijmetselaars in de Kamer, met de woorden: „Ik richt mij tot hen onder u die tevens duistere dagen hebben gekend, om ook voor mij het licht weer te laten schijnen.”

In de jaren tachtig kwam in Engeland boven water dat vrijmetselaars die werden verdacht van een misdrijf door maçonnieke rechters werden ontzien. Bij de Britse politie was het old boys network verantwoordelijk voor een aantal grote corruptieschandalen. Zo’n tien jaar geleden stelde premier Blair rechters, officieren van justitie en politieagenten daarom verplicht om hun lidmaatschap van een loge openbaar te maken, wat binnen de loges zelf tot hevige verontwaardiging leidde.

Van Rossum geeft toe dat die praktijken hebben plaatsgevonden, maar hij houdt het op een strikt buitenlandse aangelegenheid. In Nederland, waar het aantal vrijmetselaars veel kleiner is, valt van je lidmaatschap weinig voordeel te behalen. „Als je hier echt carrière wilt maken, ben je niet erg intelligent als je dat via de vrijmetselarij doet. Dan kun je voor je netwerken beter een postgraduate cursus van Nyenrode volgen of lid worden van de Rotary.”

Al is de vrijmetselarij in Nederland klein, toch heeft zij in de tweeënhalve eeuw van haar bestaan genoeg sporen nagelaten om er een hoogleraarstoel aan te wijden, vond de faculteit godgeleerdheid van de universiteit van Leiden. Die functie wordt sinds begin dit jaar vervuld door de Nederlands-Britse musicoloog Malcolm Davies. De vrijmetselarij is mettertijd een cultureel verschijnsel geworden, de moeite van het bestuderen waard.

In het Cultureel Maçonniek Centrum ‘Prins Frederik’ aan de Haagse Jan Evertsenstraat bevindt zich een wereldberoemde ordebibliotheek met meer dan 40.000 werken, waar de historie van de vrijmetselarij uitgebreid is gedocumenteerd. „Mensen die van hun samenzweringsgeloof af willen, hoeven alleen maar hier te komen kijken”, zegt Van Rossum. Vooralsnog zijn er voornamelijk academici te vinden die talloze registers en boeken komen doorspitten. Ook de kersverse hoogleraar is er regelmatig te vinden, zoals vandaag. In de aangrenzende keuken rookt hij met een aantal logebroeders een sigaartje. In tegenstelling tot zijn voorganger is de hoogleraar zelf ook praktiserend vrijmetselaar.

Het Cultureel Centrum huisvest naast de bibliotheek ook nog een klein museum. Maçonnieke parafernalia staan in glazen vitrines tentoongesteld, van porseleinen beeldjes tot zilveren lakdozen. In een vijftal naast elkaar geplaatste glazen kasten ligt een bonte verzameling schootsvellen als een serie voetbalvaantjes op een rijtje. „Merchandising”, gniffelt de grootmeester.

In België zijn er naast een museum zelfs twee universitaire leerstoelen aan de vrijmetselarij gewijd. Het vrijmetselen is in het buurland aanzienlijk populairder dan in Nederland. Er zijn meer dan drie keer zoveel leden en ook de politiek is er vaak ruim in vertegenwoordigd: in het eerste parlement Verhofstadt uit 1999 behoorde ongeveer driekwart van de ministers tot een loge.

Volgens Jimmy Koppen, Vlaams historicus en gespecialiseerd in de vrijmetselarij, schuilt daar geen kwaad in. Integendeel: „Als er ergens veel vrijmetselaars zijn, is het voordeel dat je conflicten heel snel in der minne kunt schikken. Dat is inherent aan de maçonnieke cultuur: je gaat geen ruzie maken of je standpunten aan anderen opdringen.” Volgens Koppen heeft die maçonnieke invloed in het Belgische parlement er tien jaar geleden mede toe geleid dat de toenmalige regering heel snel werd gevormd. Het contrast met de laatste Belgische kabinetsformatie was groot. Volgens Koppen geen toeval, al vindt hij dat de politieke invloed van het maçonnieke gedachtegoed genuanceerd moet worden. Het is geen garantie voor soepele kabinetsformaties, laat hij weten. Ook haast hij zich te zeggen dat de vrijmetselarij geen ideologische, maar een puur pragmatische invloed heeft, die vooral in de onderhandelingscultuur tot uitdrukking komt. Maar er zijn uitzonderingen: „De euthanasie- en abortuswetgeving zijn ideeën die al heel lang in de vrijmetselaarsloges spelen. Uiteindelijk zijn die ook in de wetgeving doorgedrongen.”

Zijn Belgische collega’s stonden aan de wieg van nog een paar veranderingen, weet Van Rossum: „Openbaar onderwijs, het recht op crematie en vrijheidsidealen, met name richting de kerk, zijn allemaal initiatieven die in die vrijmetselaarsloges zijn ontstaan.” Jimmy Koppen: „Dat was typisch 19e-eeuwse Belgische politiek, waar de vrijmetselarij het bindmiddel was tussen radicalen, antiklerikalen, socialisten en liberalen, die hun eigen idealen volgden en daar tegelijkertijd de Kerk een hak mee wilden zetten.”

In Nederland heeft het gilde ook niet stilgezeten. De reclassering, de kindervoogdij, de blindenbibliotheek en de openbare leeszalen zijn alle geesteskinderen van vrijmetselaren. In de traditie van het gilde werd weinig ruchtbaarheid gegeven aan de oprichting van zulke maatschappelijke organisaties. Silentio et fide (Door middel van stilte en trouw) staat er dan ook op het ordewapen van het Grootoosten der Nederlanden.

„Dat getrouw en in stilte werken is voor onze pr natuurlijk niet best geweest”, beaamt Van Rossum. „Maar onze basisregel is toch dat je doet wat je denkt dat goed is voor een land. Als zo’n organisatie is opgericht, trekt de vrijmetselarij zich weer terug en laat het functioneren over aan het bestuur. Wij zijn niet zo van: kijk ons eens effe.”