Gevriesdroogd mos leert dat Zuidpool ooit snel afkoelde

Het mos Drepanocladus longifolius leeft nu aan de noordrand van Antarctica.

Op Antarctica zijn fossiele mossen gevonden die 14 miljoen jaar geleden zijn gevriesdroogd door de plots invallende kou. Die vondst leert dat het zuidpoolcontinent vanaf dat moment een permanente diepvries is geworden. De fossiele mossen behoren tot de best geconserveerde fossiele levensvormen uit die tijd. Toen ze aan water werden blootgesteld, zwollen ze weer op zoals herbariumpreparaten dat doen (Proceedings of the National Academy of Sciences, 5 augustus online).

De Zuidpool is niet altijd een ijsvlakte geweest. Antarctica, ooit onderdeel van het oercontinent Gondwanaland, ligt sinds ongeveer honderd miljoen jaar op de zuidpool. Pas de laatste vijftig miljoen jaar is het klimaat zodanig afgekoeld dat het ooit met velden en bossen bedekte continent veranderde in een ijsmassa. Dat ging met horten en stoten; ongeveer 34 miljoen jaar geleden ontstonden de eerste ijsvlaktes. Ook 14 miljoen jaar geleden was er een periode van sterke afkoeling, maar het is onduidelijk of die de toendra al van het continent deed verdwijnen.

Een internationaal team dat geologisch en biologisch onderzoek doet in een Antarctisch berggebied tegenover Nieuw-Zeeland concludeert nu dat dát deel van het continent inderdaad bevroren is geweest sinds die periode van afkoeling. Ze vonden er de resten van planten- en dierenleven in en rond een meer, die zó goed bewaard zijn gebleven dat de groep het niet voor mogelijk houdt dat de dooi in de volgende miljoenen jaren nog is ingetreden. Inmiddels wordt het in het gebied ’s zomers niet warmer dan –12 °C.

De opvallendste vondst is het fossiel op de foto, van een mos dat nu nog steeds voorkomt op eilanden van het Antarctisch schiereiland, tegenover Zuid-Amerika. Tussen de bladeren van dat mos Drepanocladus longifolius zaten nog kleine mosselkreeftjes. Ook van een mosselkreeftje waren zachte weefsels gefossiliseerd, zoals de monddelen.

Er kwamen slechts een paar insecten voor, en verder kleine dieren als mijten en wormpjes. Vanwege die schamele bewoning schatten de onderzoekers de zomertemperatuur van destijds op maximaal 5 °C.

Tegelijkertijd leiden ze uit geologische afzettingen af dat er in het gebied maar 200.000 jaar zat tussen de komst van de eerste, seizoensgebonden gletsjers en permanente ijsbedekking. In die tijd moet het volgens theoretische gletsjermodellen 8 graden zijn afgekoeld, tot –3 °C. Het waren de belangrijkste veranderingen in klimaat en milieu op Antarctica sinds het einde van het Krijt, vindt het onderzoeksteam.

Hester van Santen

    • Hester van Santen