Geef bron prijs, ook als het Psalm 139 is

In een democratie moet tijdens een publieke discussie duidelijk zijn, waar de spreker door gemotiveerd wordt. Dat is wel zo eerlijk, beweert Geert Jan Spijker.

Kunnen mensen hun levensbeschouwing thuis achterlaten als ze de publieke arena betreden? Is het mogelijk dat zij hun meest basale opvattingen omtrent leven, mens en wereld tussen haakjes zetten? Volgens Herman Philipse wel (NRC Handelsblad, 29 juli), althans, ze zouden het moeten. Politici moeten discussiëren middels argumenten die voor ieder toegankelijk zijn. Hoezeer mensen ook door een godsdienst of levensovertuiging bewogen worden, in de publieke sfeer moeten ze erover zwijgen.

Zich enkel bedienen van ‘public reason’ legt echter een onmogelijke beperking op aan een minderheidsgroep. Waarom mag een politicus niet naar voren brengen wat hem of haar werkelijk beweegt? Wat is er mis mee om alle soorten argumenten een plek te geven in het publieke debat? Zoals André Rouvoet aangaf in het interview (NRC Handelsblad, 26 juli) over het citeren van Psalm 139 in een Kamerdebat, bleken zijn collega’s het juist zeer te waarderen dat hij iets van zijn diepste motieven liet zien en zijn kaarten op tafel had gelegd. Openheid over onze zinbronnen is een belangrijk onderdeel van het democratische debat omdat we dan weten waar iemand uiteindelijk voor staat.

De ChristenUnie staat in een traditie waarin men bijbelse waarden en normen probeert te vertalen naar de actuele maatschappelijke context. De Bijbel is geen zweverig boek, maar bevat universele noties over mens en samenleving en bepaalt het leven en denken van degenen die er naar willen luisteren. Waarom zou je mensen het zwijgen willen opleggen als zij inzichten willen delen van de christelijke (of een andere geloofs-) traditie? De westerse (ideeën)geschiedenis heeft juist laten zien dat er vanuit christelijk politiek denken positieve bijdragen zijn geleverd aan de ontwikkeling van onze democratische rechtsstaat. Philipses eigen liberalisme zou het anders zonder een John Locke hebben moeten stellen en Martin Luther King had nooit kunnen spreken over gelijke burgerrechten zoals hij heeft gedaan.

Niet alleen gelovigen kunnen hun geloof onmogelijk afleggen in het publieke debat, zelfs ongelovigen kunnen dat niet. Philipse is daar een voorbeeld van. Ook hij neemt zijn vooronderstellingen en wereldbeeld mee het publieke debat in. Ook een liberaal heeft een wereldbeschouwing met bovenrationele uitgangspunten, dat wil zeggen aannames die het verstand uiteindelijk te boven gaan. De auteur heeft zijn eigen credo naar voren gebracht in zijn Atheïstisch Manifest. Vanuit zijn atheïstisch sciëntisme beoordeelt hij andere wereldbeschouwingen – wat zijn goed recht is. De wetenschap laat volgens Philipse zien dat een door de wetenschap geïnspireerde wereldbeschouwing de beste is. En wel omdat die wetenschappelijk is.

Duidelijk blijkt uit deze cirkelredenering dat ook Philipse zijn uitgangspunten heeft van waaruit hij stelling inneemt in het publieke debat. Net als Rouvoet heeft ook hij bepaalde zinbronnen, bepaalde waarden en normen. De cruciale vraag is dan: waarom moet een gelovige wel het voor hem meest vitale achterlaten als hij het publieke domein binnentreedt en een liberaal niet?

Philipse en Rouvoet hebben beiden bovenrationale uitgangspunten. Maar waar de laatste ruiterlijk toegeeft dat hij vanuit een geloofsuitgangspunt redeneert, daar moffelt Philipse dat spijtig genoeg onder het vloerkleed. De vanzelfsprekendheid waarmee hij zich het recht toe-eigent om te mogen definiëren wat redelijke en objectieve argumenten zijn, komt vermoedelijk voort uit het feit dat Philipse tot de seculiere meerderheid behoort, niet uit het feit dat hij zonder die uitgangspunten leeft.

Eigen aan de democratie is dat verschillen niet geneutraliseerd worden, maar geëxpliciteerd. Voor een meerderheid is het altijd lastig – leert de geschiedenis – om te accepteren en tolereren dat er minderheden zijn die anders denken en handelen. Maar in een vitale democratie en een open samenleving is men bereid te luisteren naar anderen, juist ook als zinbronnen van elkaar verschillen.

Mr.drs. Geert Jan Spijker is medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.