Gasbaten: beleggen of investeren?

Een halve eeuw geleden boorde de Nederlandse Aardolie Maatschappij – een samenwerkingsverband van Shell en Esso – bij de Groningse gemeente Slochteren een aardgasveld aan. Thans is bekend dat dit veld 3.000 miljard kubieke meter gas bevatte. Destijds werd de omvang van het Slochterenveld op eentiende daarvan geraamd. In hoog tempo werd de locatie in exploitatie genomen. Het gas moest in de uitverkoop, voordat kernenergie de rol van fossiele brandstoffen zou overnemen. Na de vondst van een reeks kleinere velden groeide Nederland rap uit tot een van de grootste exporteurs van energie.

De staat was lachende derde. Volgens een afspraak met de oliemaatschappijen vloeit meer dan 70 procent van de aardgaswinst in de schatkist. Voor een deel via de algemene winstbelasting, voor een ander deel via een speciale winstafdracht. In de afgelopen vijftig jaar toucheerden opeenvolgende ministers van Financiën meer dan 160 miljard euro aan aardgasbaten. Kabinetten van diverse pluimage sprongen lichtvaardig met revenuen uit de gasbonanza om. Aangezien de gasbaten opgingen in de algemene middelen, zijn ze grotendeels gebruikt voor uitkeringen, salarissen van een snel uitdijend leger ambtenaren en rente op de staatsschuld. Want ondanks de gasmiljarden toonde de rijksbegroting in de jaren zeventig en tachtig toenemende tekorten, die de schatkistbewaarders dekten door steeds meer geld te lenen op de kapitaalmarkt.

Eerst vanaf het midden van de jaren negentig stoppen beleidsmakers in Den Haag een deel van de aardgasopbrengsten in een aparte pot: het Fonds economische structuurversterking (Fes). De voeding van dit fonds bestaat momenteel uit 41,5 procent van de speciale winstafdracht van de gaswinners.

De over gaswinsten betaalde belasting komt nog steeds aan de algemene middelen ten goede. Fes-geld is bestemd voor investeringen. Achterliggende filosofie is dat de nationale bodemschat zodoende wordt omgezet in blijvende rijkdom boven de grond. Inmiddels is 27 miljard euro in het Fes gestroomd, waarvan zo’n 5 miljard euro nog niet is uitgegeven. De rest is besteed voor tal van projecten waarvan het rendement vaak twijfelachtig is. Voorbeelden zijn de Betuwelijn en de nog steeds niet in gebruik genomen hogesnelheidslijn naar België. Alleen beide spoorverbindingen slokten al meer dan de helft van de tot nu toe beschikbare Fes-middelen op.

Andere landen pakken het handiger aan. Zo heeft de Noorse regering twintig jaar geleden een beleggingsfonds opgericht dat nu al 325 miljard euro aan opgepotte aardgas- en oliewinsten beheert. Steeds meer grondstoffen- en energieproducerende landen in Azië en het Midden-Oosten vormen vergelijkbare beleggingsvehikels (sovereign wealth funds). Wanneer zij hun te beleggen middelen verstandig spreiden over landen en sectoren ontstaat een blijvende stroom inkomsten die kunnen worden herbelegd of geïnvesteerd in nationale infrastructuur. Nederland had ook zo’n fonds kunnen hebben. Dat zou – als ontvangen dividenden waren herbelegd – qua omvang het fonds in Noorwegen naar de kroon steken. Bij een bescheiden rendement van gemiddeld 4 procent zou in de voor ons liggende decennia jaarlijks 10 à 12 miljard euro beschikbaar komen. Gekozen politici zouden beslissen over de bestemming van al dat geld.

De bittere les van het verleden is dat het sterke benen zijn die zo’n weelde kunnen dragen. Bovendien is het gasgeld niet gereserveerd, maar tot nog toe grotendeels verjubeld. Nakaarten heeft geen zin. Wel moet Nederland verstandiger omspringen met de opbrengst van het resterende aardgas, dat naar verwachting over dertig jaar op is. De kans hiertoe dient zich aan. Het kabinet wil de voeding en de bestemming van het Fes met ingang van de volgende kabinetsperiode veranderen. Het stelt voor straks jaarlijks 2,5 procent van de waarde van de nog aanwezige aardgasrijkdom in het fonds te storten. Het kabinet wil zijn opvolgers echter niet te veel voor de voeten lopen. Daarom zal de herziene Fes-wet bepalen dat kabinetten een deel van de berekende fondsvoeding voor andere zaken mogen gebruiken.

De minimale storting in het Fes zou echter 1,7 miljard euro per jaar moeten zijn. Deze bepaling is schadelijk, omdat zij politici uitdrukkelijk in verleiding brengt dit wettelijk minimum op te zoeken en de rest van de aardgasbaten als vanouds te verjubelen. De bepaling is ook zinloos, omdat toekomstige regeringen de wet altijd kunnen wijzigen als ze minder dan 1,7 miljard euro in het Fes willen storten.

De belangrijkste vraag laat het kabinet onbesproken. Verdient het geen aanbeveling de speciale winstafdracht van de gaswinners voorlopig te beléggen in plaats van haar via het Fes te investéren? Het Fes ontplooit zich dan tot Gasfonds, een sovereign wealth fund, dat de nationale aardgasbaten wereldwijd belegt.

Een onafhankelijke vermogensbeheerder zou de garantie vormen dat kortzichtige politici niet met ons ondergrondse vermogen aan de haal gaan. Het kabinet, werkgevers en vakbonden willen de Fes-gelden steken in havens, wegen, dijken en veelbelovend wetenschappelijk onderzoek. Allemaal zaken van belang, maar die kunnen we ook financieren uit hogere belastingen of door op andere overheidsuitgaven te bezuinigen.

Niemand zal tegen zulke ingrepen bezwaar maken als het extra geld nodig is om ervoor te zorgen dat inwoners van Nederland droge voeten houden, niet in de laatste plaats de nog ongeboren generaties die de vruchten van het Gasfonds zouden plukken.