‘Elk antwoord nieuw waarom’ ontlokt een

Emeritus hoogleraar Joop Goudsblom vindt dat hij een alomvattende theorie over de ontwikkeling van menselijke beschavingen moet schrijven, maar hij werkt aan zijn memoires. „Er is niets in de wereld waar ik zo veel van af weet als van mezelf.”

‘De gereserveerde houding zit er bij mij ingebakken’ Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Giethem, 16-07-08. Joop Goudsblom, socioloog. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Joop Goudsblom, emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, loopt de trap op naar zijn werkkamer, wijst me een plaats op de bank en gaat zelf op de stoel bij zijn bureau zitten, een paar meter verderop. Hij doet zijn armen over elkaar, kijkt naar de grond en zwijgt.

Het gesprek moet gaan over de memoires die hij aan het schrijven is en hoe hij zijn leven lang al probeert te verklaren waardoor beschavingen zich hebben ontwikkeld. En ook over het einde van het leven, waaraan hij vermoedelijk meer zal denken nu zijn vrouw, de sociaal-psychologe Maria Goudsblom-Oestreicher, ernstig ziek is. Maar wat kan de eerste vraag zijn aan iemand die zich zo zichtbaar ongemakkelijk voelt?

Na wat beleefdheden van mijn kant over zijn huis, in een mooie straat in Amsterdam-Zuid, begint hij te vertellen over de roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje die hij net gelezen heeft, op aanraden van zijn collega Abram de Swaan. Die gaat over een wat verwende joodse jongen, oud-leerling van het Barlaeusgymnasium, die in die buurt is opgegroeid en als een nieuwe Portnoy in de Bijlmer op zoek gaat naar de lekkerste vrouw die hij vinden kan. Zwart, grote borsten.

Goudsblom zegt dat Robert Vuijsje veel van Arnon Grunberg heeft geleerd en citeert een paar uitdrukkingen die hem getroffen hebben. „De zogenaamde vrienden van mijn ouders. De mensen die allochtonen genoemd worden.” Hij prijst Vuijsje om zijn opmerkingsgave, zijn taalgevoeligheid, zijn vermogen tot distantie – waar hij zelf ook om bekend staat.

U herkent uzelf in het boek?

„Wat ik herken, is de fundamentele onzekerheid, de afwijzing van alle schijnzekerheden. Maar ik heb nooit conflicten met mijn ouders gehad. Ik voldeed altijd aan de verwachtingen. Ik had wel een tweede leven.”

Hoe dan?

„Dan moet je eerst een beeld hebben van mijn eerste leven. Ik was een spoorstudent, woonde in Krommenie, enig kind van mijn ouders, een oppassende zoon die in iets meer dan drie jaar zijn kandidaats haalde en daarna in drie jaar zijn doctoraal. Maar daarnaast schreef ik aforismen, en artikelen voor Propria Cures met titels als ‘Cynici zijn lastposten’, een apologie voor cynisme als levenshouding.”

Hij praat over midden jaren vijftig. Joop Goudsblom zat in de redactie van Propria Cures, toen een beroemd en dwars studentenblad. Andere redacteuren waren mensen als Renate Rubinstein, Piet Borst en Aad Nuis. Die dachten dat Goudsblom schrijver zou worden, iemand als Menno ter Braak, die hij zeer bewonderde en van wie hij al het werk gelezen had. Goudsblom dacht toen zelf ook nog dat hij schrijver zou worden.

Maar het werd de wetenschap en de inleiding van zijn proefschrift, zegt Goudsblom, laat zich lezen als het programma van alles wat zou volgen. Hij citeert, uit zijn hoofd, de eerste alinea. „De aanleiding tot het schrijven van dit boek was – hoe kan het anders? – een persoonlijke. Ik wist bepaalde motieven in mij werkzaam, die het mij in vele gevallen moeilijk maakten te beslissen tussen waar en niet waar, tussen goed en niet goed. Het was een lastig probleem; maar, zo merkte ik herhaaldelijk, het was geen bijzonder probleem. Lectuur en gesprekken met vrienden toonden mij, dat velen met dezelfde moeilijkheid zaten. Ook zij hadden kennelijk met nihilistische motieven te kampen; het was, als zaten deze motieven in de cultuur.”

‘Nihilisme en cultuur’ heette het proefschrift. Goudsblom promoveerde er op in 1960, cum laude. Hij was 28.

Heeft u lang over die eerste regels gedaan?

„Weet ik niet meer. Ik had al enige journalistieke ervaring, schrijven viel me niet moeilijk. Nu vind ik het veel moeilijker. Ik heb mezelf bij het schrijven allerlei verboden opgelegd. Er zijn allerlei opdrachten waar ik van mezelf aan moet voldoen.”

Zoals?

„Eenvoudige regels vaak, ik heb ze samen met Bram de Swaan eens opgeschreven voor een cursus ‘sociologisch schrijven’. Dat je bijvoorbeeld de verleiding om je uit te drukken in abstracties moet weerstaan. Niet: het socialisme heeft dit en dat gedaan. Maar: mensen verenigd in socialistische partijen deden dit en dat. Nooit: de burger. Altijd: burgers. Bij ‘de burger’ heb je het in de tweede zin al over ‘hij’. En die ‘hij’ is een volwassene. Je laat tweederde van de mensen over wie je het wilt hebben weg.”

Waar leidt dat toe?

„Tot reïficatie, een schijnwereld. En tot slordig denken. Norbert Elias sprak van ‘filosofoïde’ constructies. Die gaan vervolgens een eigen leven leiden.”

Maar over die eerste regels van uw proefschrift bent u nog steeds tevreden?

„Ze zijn trefzeker en in zekere zin ook prettig vaag. Ik wist bepaalde motieven in mij werkzaam. Ik wilde niet alles in de eerste alinea al weggeven.”

Goudsblom heeft het over nihilisme in Nietzscheaanse zin: het bestaan heeft geen betekenis, doel, kenbare waarheid of waarde, en er is ook geen betekenis of doel aan te geven.

Waar kwamen die nihilistische drijfveren in u vandaan?

„Wat ik nu ga zeggen, beschrijf ik ook in mijn memoires. Ik heb het over mijn schooltijd, de discussies die we in de klas voerden over kwesties als de doodstraf of de politionele acties. Er waren klasgenoten die altijd precies wisten wat goed en slecht was en daar vol overtuiging over praatten. Ik zat met open mond te luisteren, perplex tegenover hen die kennelijk de waarheid kenden. Later begreep ik dat ik toen al in socratische onwetendheid verkeerde.”

Een vroegwijs jongetje.

„Ik beschrijf mezelf als kind tussen twee volwassenen, vader en moeder. Het meeste dat er te weten valt over de wereld van de volwassenen, weet hij van hen en hij is geneigd daar niet aan te twijfelen. Andere kinderen, uit grotere gezinnen, zijn veel wereldwijzer en hij is geneigd om hen ook serieus te nemen. Hij heeft dus te maken met twee autoriteiten en die kunnen met elkaar botsen. Wie moet hij geloven? Sommige enige kinderen hebben er weinig moeite mee, maar bij mij leidde het tot gepieker. Of misschien moet ik zeggen: slimme onwetendheid.”

Een freudiaanse verklaring.

„Ik heb veel van Freud gelezen, ik ben ervan doordrenkt. Het rare is dat het hele thema enig kind voor zover ik weet bij Freud niet aan de orde komt.”

Staat Freuds theorie over de psyche van mensen voor u op hetzelfde plan als Darwins evolutietheorie?

„Zo’n freudiaan ben ik nooit geweest, maar zijn theorie sluit aan bij het darwinisme, waarin ontwikkeling verloopt in fasen en elke fase invloed heeft op de volgende. En dan het belang dat Freud toekende aan sociale verhoudingen, in de microwereld van het gezin. Freuds basisgedachten kun je verenigen met een sociologische manier van denken over mensen in het algemeen en over jezelf.”

Waarom bent u aan uw memoires begonnen?

„In elk antwoord op waarom-vragen zit iets willekeurigs, want na elk antwoord volgt een nieuw waarom. Laat ik zeggen dat ik eraan ben begonnen uit gemakzucht. Er is niets in de wereld waar ik zo veel van af weet als van mezelf. En er is niemand in de wereld die meer van mij weet dan ik. Het gaat vanzelf. Het begint met een jongetje dat achterop de fiets bij zijn moeder zit. En dan gebeurt er iets.”

Voor wie is het interessant?

Hij haalt zijn schouders op. „Dat ik eraan begonnen ben, zal ook wel te maken hebben met de naderende dood en dat ik iets wil achterlaten. Het moet ook een commentaar zijn op mijn werk. En het ontslaat me van allerlei andere dingen die ik zou moeten doen. Ik zou aan mijn boek over de expansie van de antroposfeer moeten werken.”

Hij pakt de bundel ‘Mappae Mundi’ uit 2003, waarin hij vuurbeheersing, het ontstaan van landbouw en industrialisering beschrijft als de drie bepalende stadia in de ontwikkeling van menselijke beschavingen. Mensen zijn een steeds groter beslag op de wereld gaan leggen, ten koste van andere dieren, zegt hij. „Die stadia wil ik beschrijven met één overkoepelend begrippenapparaat. Dat is wat ik nu zou moeten doen.”

Zodat u een alomvattende theorie over de ontwikkeling van menselijke beschavingen kunt presenteren.

„Geen theorie. Ik heb het over een begrippenapparaat dat beschrijft en interpreteert.”

Maar is het niet altijd uw ambitie geweest om een theorie te formuleren zoals die van Freud over de psyche, of die van Darwin over de evolutie?

„Tja. Een theorie die je als een magneet onder het bureau kunt houden en alles valt op zijn plaats.”

Waarom zegt u dat dan niet?

„Ik ben er te veel in ontmoedigd. Als je die ambitie zegt te hebben, ben je vaak de laughing stock, de risée van de schamperaars. Gek dat we er geen goed Nederlands woord voor hebben. Nou ja, het mikpunt van de spotters. Ik ben en blijf het enig kind dat voor zichzelf iets heeft bedacht en dan wordt uitgelachen.”

U bent bang dat u ernaast zit?

„Ja. De gereserveerde houding zit er bij mij ingebakken. Het zit in mijn hele motoriek.”

Hoe zou die theorie er ongeveer uit kunnen zien?

„Ik kan dat alleen beschrijvend en interpreterend, en ik moet vaak denken aan de titel van de roman Something Happened van Joseph Heller.” (Die verder vooral bekend is door de roman Catch-22.) „Er is iets gebeurd waardoor onze soort een zeer bijzondere plaats in het dierenrijk is gaan innemen. Onze naaste verwanten kunnen we bekijken in de dierentuin, achter tralies. De machtsverhoudingen hebben zich volslagen in ons voordeel ontwikkeld en dat heeft een zeer lange geschiedenis. Ik herinner me hoeveel indruk de openingsscène van de film Quest for Fire op me maakte.” (Jean-Jacques Annaud, 1981, over oermensen die op de savanne zoeken naar een vlam die het verloren vuur van hun stam kan vervangen.) „Iedereen ligt te slapen, een van hen moet de wacht houden, maar die slaapt ook, en dan komen er wolven, die zo de kinderen kunnen pakken. Op het laatste moment wordt de wachter wakker, pakt een brandende stok, gooit, en de wolven vluchten. Toen ik dat zag, dacht ik: ja, something happened. Door de beheersing van het vuur hebben mensen veel meer macht gekregen.”

Daarna: „Als je de evolutietheorie toepast op de sociologie, dan is vuurbeheersing een innovatie die heeft standgehouden en die de machtsbalans van de ene soort ten opzichte van andere soorten heeft veranderd. Allerlei gedragingen zijn vervolgens te verklaren als aanpassingen aan machtswinst en machtsverlies.”

Zonder plan erachter?

„Het is een blind proces, zonder richting, zonder doel. Zo is het gegaan.”

Hij pakt het julinummer van de Academische Boekengids, een blad van de universiteiten van Amsterdam, Leiden, Groningen en Utrecht. Hij bladert naar het artikel ‘Wetenschap aangaande God’ van Gijsbert van den Brink, bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme, en begint voor te lezen. „... dat het geheel van de werkelijkheid waarin wij leven zich het beste laat begrijpen wanneer we uitgaan van het bestaan van een God... de stukjes van de oneindig veel complexere puzzel die geschiedenis heet vallen op hun plaats als wij aannemen dat haar baan beïnvloed wordt door een onzichtbare God...”

In het artikel staat ook dat de zin van ‘het kwaad’ duidelijk zal worden aan het einde der tijden, zoals bij het bakken van een cake pas duidelijk wordt waar alle ingrediënten voor dienden als de cake klaar is. Goudsblom: „God als koekenbakker. Geleerd geleuter, geheel in de augustiniaanse traditie, die ervan uitgaat dat de geschiedenis een oorzaak en een doel heeft. Ik zou er een stuk tegenin moeten schrijven.”

Waarom doet u dat niet?

„Gemakzucht en capitulatie. Had ik de route van Menno ter Braak gevolgd, dan had ik het zeker gedaan. Maar die weg heb ik al lang geleden afgesneden.”

Bent u door het schrijven van uw memoires niet alsnog op zoek naar de Menno ter Braak in uzelf?

Hij haalt weer zijn schouders op. „Mijn hoofd staat er niet naar om iets anders te doen. Ik ben eraan begonnen toen Maria te horen kreeg dat ze kanker had, precies een jaar geleden. Maria is ook heel hard aan het werk, ze bezorgt nu de dagboeken van haar moeder over haar jeugd in Silezië en het leven als immigrant in Nederland. Eerder heeft ze al het kampdagboek van haar vader uitgegeven.”

Ein Jüdischer Arzt-Kalender. Durch Westerbork und Bergen-Belsen nach Tröbitz. Felix Oestreicher, een Joods-Tjechische arts, vluchtte met zijn gezin naar Nederland, maar werd later met zijn vrouw en twee van zijn drie dochters toch opgepakt. Maria Oestreicher, geboren in 1936, was daarbij. Kort voor de bevrijding werden ze in Bergen-Belsen op transport gesteld, niemand wist waarheen. Ze kwamen terecht in Tröbitz, in het oosten van Duitsland, dat toen net bevrijd was door de Russen. Er brak vlektyfus uit, de ouders van Maria Oestreicher stierven.

Het zoeken naar een alomvattende theorie, is dat niet gewoon te moeilijk?

„Niet moeilijker dan het schrijven van Vuur en beschaving en ik geloof niet dat sindsdien mijn denkkracht is achteruitgegaan. Overigens spreek ik liever van een centrale theorie, met als ideale voorbeeld de evolutietheorie, die een grote reikwijdte heeft en veel ruimte laat voor het leggen van verbindingen.”

Dus toch een theorie.

„Ja.”

En wat weerhoudt u, behalve uw vrees om ernaast te zitten?

„Vuur en beschaving heb ik geschreven in Oxford, primair in het Engels. Ik wil nu niet naar Oxford, en om het hier in Amsterdam te doen, is veel lastiger. Een andere barrière is misschien dat ik niet weet tot wie ik me bij het schrijven moet richten. Het komt door mijn leeftijd, de grotere afstand tot collega’s. Mijn innerlijke stem is niet meer zo sterk. Misschien verflauwt mijn zendingsbehoefte.”

Hij citeert een versje uit zijn bundel Reserves.

Jalink, die liever dan als mens geboren

dichter had willen zijn

om de goegemeente in goedgekozen woorden

voort te zingen

het is anders dan jullie dachten

Zuchtte bij het keren der tijden

in mijn koker steken nog vele sigaretten

maar de gulheid is mij vergaan.

U bedoelt dat u pas verder kunt met uw centrale theorie na de dood van uw vrouw?

Zijn gezicht verstrakt. „Dat is een zeer ongepaste vraag.”

Wat zult u na uw dood nalaten?

„Ik heb een paar boeken geschreven waarvan ik hoop dat ze niet meteen in vergetelheid zullen raken. Aan de andere kant kun je je afvragen waarom dat erg zou zijn. Wat hebben Plato en Socrates er aan dat hun namen nog genoemd worden? Wat doet het er voor hen toe?”

Ze hebben bijgedragen aan de geschiedenis.

„Ja. Ik hoop dat ik bijdraag aan het laten branden van het lampje van de verlichting. Ik kan wel zeggen: wat doet dat ertoe? Maar dat is te cynisch.”

Om ongestoord aan zijn memoires te kunnen werken gaat Goudsblom vaak naar Ommen, waar hij met zijn vrouw een buitenhuis heeft. „Het prettige is”, zegt hij, „dat ik uit mijn blote hoofd kan schrijven. Deze memoires worden heel anders dan bijvoorbeeld die van Henk Wesseling (historicus, emeritus hoogleraar van de Universiteit van Leiden – red.). Die gebruikt zijn herinneringen ook om te vertellen hoe Nederland in elkaar zat. Ik vertel alleen over mezelf. Ik schrijf wat ik zelf leuk zou vinden om te lezen. Niet te expliciet, niet uitleggerig, in het parlando van een Du Perron (vriend en geestverwant van Menno ter Braak – red.). Dan zit ik op de fiets en denk ik aan de brief die dominee Kuiper aan mijn vader en mij schreef na de dood van mijn moeder, in 1956. Mijn moeder had een aangeboren hartkwaal, ze werd geopereerd toen de hartchirurgie in Nederland nog maar net begonnen was. De operatie mislukte.”

Wat schreef dominee Kuiper?

„Dat weet ik niet meer precies. De brief kwam tevoorschijn na de dood van mijn vader, in 1994. Ik herinner me vooral de aardige, verstandige toon ervan.” Hij onderbreekt zichzelf. „Ik zeg het verkeerd. Dominee Kuiper verzoende ons met het verlies van mijn moeder terwijl ze nog niet dood was. Hij zinspeelde erop wat er zou kunnen gebeuren en bereidde ons erop voor door te zeggen hoeveel we aan het leven van mijn moeder te danken hadden.”

Hoe zal het leven zonder uw vrouw zijn?

Zijn gezicht verstrakt weer. Dan: „Ik noem het het onvoorstelbare dat onvermijdelijk is. En het onvermijdelijke dat onvoorstelbaar is.”

Dat klinkt verdedigend.

„Hoezo?”

U duwt alle emotie weg.

„Ja. Het is abstract gemaakt. Is dat raar?”

Bij de bespreking van de weerslag van dit gesprek, twee weken later, komt zijn vrouw binnen. „Ik ben nog lang niet weg hoor ”, zegt ze. „Ik heb nog te veel te doen.” Ze lacht en loopt terug naar haar werkkamer. Goudsblom heeft weinig commentaar op de tekst. Alleen dit: „Er zit iets toevalligs in. Nu zou ik beginnen over het boek van René Appel dat ik net gelezen heb en ook al in Oud-Zuid speelt.”

    • Jannetje Koelewijn