Een post-Olympische kredietcrisis

De Chinese inflatie heeft zich de laatste tijd koest gehouden. Dat komt doordat de voedselprijzen aan controles zijn onderworpen en de brandstofsubsidies scherp omhoog zijn gegaan. Na de Olympische Spelen moet de realiteit weer terugkeren, hetgeen lagere subsidies, hogere prijzen en een scherp stijgende rente zal betekenen. Dat zou voor een post-Olympische kater kunnen zorgen.

De inflatie in China is van 8,7 procent op jaarbasis in februari gedaald naar 7,1 procent in juni, waardoor hij net beneden het rentepeil van de Chinese Volksbank is uitgekomen. Dat contrasteert hevig met de stijgende inflatie in andere landen als India, waar de inflatie is gestegen van 7 procent in maart naar bijna 12 procent in juli. Omdat de voornaamste oorzaak van de mondiale inflatie de scherpe stijging van de energie- en grondstoffenprijzen is geweest, is de matiging van de Chinese inflatie vreemd.

Afgezien van mogelijk gegoochel met de cijfers in de aanloop naar de Olympische Spelen, kan de lage inflatie van China verklaard worden door toegenomen staatscontroles en –subsidies. De rijst- en graanprijzen worden pas sinds januari gecontroleerd, terwijl de energiesubsidies in 2008 zijn verhoogd van 22 miljard naar 40 miljard dollar, en de benzineprijzen op tweederde van het Amerikaanse niveau zijn gehouden. Alleen al deze effecten zouden de inflatie wellicht met 3 tot 4 procentpunten kunnen drukken.

China heeft alles in het werk gesteld om bij de Olympische Spelen voor schone lucht en een coöperatief ingestelde bevolking te zorgen. Meer dan 1 miljoen auto’s zijn bijvoorbeeld drie maanden lang uit de straten van Peking verbannen. Als de Spelen eenmaal voorbij zijn, zullen die inspanningen niet langer noodzakelijk zijn. Dat kan een versoepeling van de controles op de voedselprijzen betekenen – die op zichzelf weer subsidies voor de boeren vergen – en een reductie van de energiesubsidies. Dat zou er op zijn beurt weer toe leiden dat de inflatie in de dubbele cijfers terechtkomt.

Op dat punt zouden de rente van de Chinese Volksbank van 7,47 procent en de depositorente van 3,33 procent zeer inflatiebevorderend zijn, en bovendien het sparen ontmoedigen. Omdat de Chinese autoriteiten de rol van de rente bij het onder controle brengen van de inflatie lijken te begrijpen, zouden ze kunnen beslissen de rente scherp te verhogen, tot het punt waarop die in reële termen weer positief is.

Vandaar een mogelijke post-Olympische kredietcrisis. Voor de kleine Chinese bedrijfjes en consumenten die te veel hebben geleend, kon dat wel eens een onplezierig ontwaken uit hun Olympische droom worden.

    • Martin Hutchinson