Alleen met zee en zand

Noord-Spanje, de bakermat van de Spaanse natie, is nog niet ten prooi gevallen aan het massatoerisme. De bergen zijn er groen en ruig, de kust is pittoresk en onontdekt.

Het pad is prachtig. Stokoude muurtjes wijzen de weg door een sprookjesachtig kastanjebos. Boomklevers en wielewalen verzorgen de akoestische omlijsting. Dan staan we voor een brug. Of beter: wat ooit een brug geweest is. Een gammele draagbalk en een wiebelende reling vormen alle hulp die de wandelaar rest bij het oversteken van de rivier, die tien meter lager stroomt. Verkeerd gelopen? Het Global Positioning System biedt geen soelaas. De akelig nauwkeurige coördinaten staan in geen verhouding tot ons wandelkaartje, een impresión artística die wandelroutes in een gebied groter dan de Veluwe samenvat op een half A4’tje. Op hoop van zegen schuifelen we naar de overkant.

Het zijn de ongemakken van een wandeling in een gebied waar het toerisme als inkomstenbron nog maar half serieus wordt genomen. En het heeft zijn charmes. Op het pleintje van Murias wacht de voltallige bevolking van boven de vijftig ons op. Nieuwsgierige, maar hulpvaardige blikken vanonder borstelige wenkbrauwen. „Waar wilt u heen? Naar Piornedo? Heel makkelijk, slechts 15 kilometer. Waar staat uw auto?” Dat we willen wandelen, stuit op een mengeling van ongeloof en ontzag.

Dit is de Sierra de Ancares, de meest westelijke uitloper van het Cantabrisch Gebergte. Deze minder bekende tegenhanger van de Pyreneeën ligt in het noordwesten van Spanje. Als een fortwal beschermt het de droge Spaanse hoogvlakte tegen aanstormende Atlantische depressies. Vanzelfsprekend krijgt het Cantabrisch Gebergte daarbij zelf vaak de volle laag. Mist en regen zijn hier bijna zo normaal als in Ierland. Maar ook hier geldt het Ierse gezegde: bevalt het weer je niet, blijf dan maar wat langer in de kroeg. En als de zon schijnt, is het op Spaanse sterkte.

De bergwouden van Ancares lijken in weinig op de kuststreek waar we, komend vanuit Frankrijk, als eerste belandden. Voorbij Santander wordt de kust ruiger, de vissersdorpjes pittoresker. Neem Colombres, waar vergane glorie het nog steeds ruimschoots wint van de nieuwe toeristenindustrie. Vér vergane glorie vind je hier ook. In de nabijgelegen grotten van Pindal ligt hoofdstuk één van de geschiedenis van Noord-Spanje verborgen. Hier sta je oog in oog met stervende wilde paarden en wisenten (Europese bisons), door paleolithische jagers op hun huiskamermuren geschilderd. Ten minste een dertigtal van dergelijke grotten zijn ontdekt in Noord-Spanje, met als bekendste die van Altamira. Heel anders, maar niet minder expliciet zijn de erotische scènes van Tito Bustillo, een grot bij Ribadesella. Ze zijn wellicht ’s werelds eerste pornografie.

Maar het was niet altijd een vrolijke boel hier. Colombres is voor de Asturiërs synoniem met emigratie. Van de zeventiende tot negentiende eeuw ruilde menigeen voorspelbare armoede alhier in voor een onzekere toekomst in ver Zuid-Amerika. Zoals Iñigo Noriega. Hij werd de rijkste man van Mexico, maar kwam terug naar zijn geboorteplaats. Zijn huis in Quinta Guadalupe is nu een museum, het Archivo de Indias. Want zo worden de remigranten hier genoemd: Indias of Indianos. Ze hebben de hele kuststreek van hier tot Galicië opgefleurd met hun prachtige, vrolijk geschilderde landhuizen, steevast met houten galerij en een palmboom in de tuin.

Bij het havenplaatsje Llanes ontdekten we voor het eerst hoeveel intieme en pittoreske zandstrandjes de ogenschijnlijk ongenaakbare rotskust verborgen houdt. Playa de Toro bijvoorbeeld, waar grillige kalkrotsen een Lord-of-the-Rings-achtig decor vormen voor diep turkooizen wateren. En alleen de Llaniscos die het kennen. Misschien nog wel mooiere strandjes ontdekten we bij de Muros de Nalon, een serie hoge klippen die tussen San Esteban en Cudillero uit zee oprijzen. Er loopt een makkelijk wandelpad langs de klippen. Van boven gezien zijn de strandjes om te watertanden. Sommige zijn alleen voor alpinisten bereikbaar, andere ook voor gewone stervelingen. We waren er alleen met de zee en het zand.

Ter hoogte van Ribadesella gaan we de bergen in, nabij het Nationale Park Picos de Europa. Vergezeld van honderden Spaanse toeristen bezoeken we de kathedraal van Covadonga. Ze komen niet voor het neoromaanse bouwwerk, maar voor een mythe, het scheppingsverhaal van de Spaanse natie. In 722 ontmoetten de Asturiërs hier de eerste Moorse veroveraars. Ene Pelayo, een edelman, trommelde wat stoere jongens op en hakte de Moren in de pan. Pelayo liet zich tot koning van Asturias kronen. Pas zeven eeuwen later werd de rest van Spanje bevrijd, maar ‘Covadonga’ is het begin van de reconquista, de herovering van het land. Het huidige Spaanse koningshuis beschouwt zichzelf als voortzetting van het Asturische.

Het Cantabrisch Gebergte is langgerekt en smal, zo smal dat je het in een paar uur oversteekt, zelfs te voet. En dan ben je meteen in een andere wereld, droger en warmer, zoals we ontdekken als we de volgende dag neerstrijken in Villafranca del Bierzo, aan de zuidkant van Ancares. Hier, aan de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella, behoort de wijn tot de betere van de toch met respectabele wijnhuizen gezegende provincie León. We volgen de bergen oostwaarts, tussen wuivende korenvelden. Op witgepleisterde kerkjes met platte geveltorens knutselen ooievaars met gevaar voor eigen leven aan hun nesten.

Bij Riaño gaan we weer noordwaarts en steken we de bergen over naar de Liébana. Deze vallei ligt beschut achter de Picos de Europa en dat is te merken vandaag. Terwijl het weerbericht regen had voorspeld voor de kuststreek, zitten de terrasjes in het oude stadscentrum van Potes bomvol. Potes is de enige plaats van betekenis in Liébana en een uitvalsbasis voor iedereen die de bergen in wil. Bergwandelen, rotsklimmen, kanoën of speleologie, het kan hier allemaal. Vooral Spaanse toeristen komen ook voor het achtste-eeuwse klooster van Santo Toribio, waar een deel van het kruis van Christus bewaard wordt. Buiten Potes is de Liébanavallei een mozaïek van donkere eikenbossen en weides vol wilde orchideeën, met daartussen enclaves van vakwerkboerderijen. In het minidorpje San Pelayo nemen we onze intrek in een rustieke posada. Pelayo? Bekende naam. Inderdaad, vertelt de pensioneigenaar trots: hier zou de eerste koning van Asturië, en dus van Spanje, geboren zijn.

Alle vakantiegangers die we onderweg tegenkwamen, hadden het erover. En vandaag gaan we het zelf zien: de Picos de Europa. Vanuit Fuente Dé, aan de westkant van Liébana, lopen we naar Sotres, het hoogstgelegen dorp van de Picos.

Dat is ongeveer 15 km, en het zou een hele klim zijn als Fuente Dé niet een kabelbaan rijk was. Deze is populair bij toeristen. En terecht, langs de akelig steil lopende kabelbaan zoef je in luttele minuten naar een spectaculaire 1800 m hoogte.

Eenmaal boven kan de beduusde luchtreiziger eerst even bijkomen in het kabelbaanrestaurant. Dat doen ze allemaal, op twee na. Over een hobbelige pista bereiken we een pasje, de Collada de Horcados Rojos. Voor ons ligt een enorme jou, een dal dat is ontstaan door instorting van kalkgrotten. Een maanlandschap, kaal, desolaat en grillig. Daarachter, in de verte, doemt de Naranjo de Bulnes op, de legendarische menhirvormige berg waar bergbeklimmers op afkomen als beren op de honing. Zijn oranjekleurige flanken gloeien op in de ochtendzon.

We keren terug en dalen af naar de Puertos de Aliva, een weidse, groene vallei gevuld met een ontelbaar aantal koeien en schapen. Daarboven zweven tientallen vale gieren, in afwachting van een klein dierlijk drama. Middenin de vallei prijkt het hotel Refugio de Aliva, bovenop een hoge puinwaaier die gletsjers hier na gedane arbeid achterlieten. Diezelfde arbeid heeft het dal zijn prachtige ketelvormige rondingen bezorgd. Terwijl we genieten van het majestueuze uitzicht houden brutale alpenkraaien, zwevend voor ons in de wind, de zwarte kraaloogjes strak gericht op onze madalena-cakejes.

Mountainbikers komen ons tegemoet als we afdalen door het dal, dat allengs smaller wordt. We passeren natuurstenen herdershutten met vrolijke rode pannendaken. Het pad volgt de Rio Duje. Als we de rivier oversteken, plonst voor ons een waterspreeuw in het water. We kijken toe hoe het vogeltje als een vis achter kleine waterinsecten aanzwemt.

Sotres doemt op, hoog boven het dal tegen de rotsen geplakt. Van afstand een stille verzameling sobere boerenhuizen, maar op het kleine dorpspleintjes is het een levendige boel. Dagtrippers, wandelaars en klimmers in bonte buitensportkleding, en daartussen voetballende dorpskinderen. Een boer op een trekker met mestkar slalomt op volle snelheid om kinderen en toeristen heen. Op de terrassen van Casa Cipriano en Hotel Sotres vloeit het bier, de cider en vino tinto al rijkelijk. De tapas, die hier pinchos heten, staan klaar.

    • Jan Knaapen