Wethouder had zelfs verder kunnen gaan

Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs is een overheidstaak, dus ook van een gemeente. Wethouder Geluk moet ook andere ouders waarschuwen, vindt Jaap Dronkers.

Wethouder Geluk van Rotterdam trekt de foute conclusie uit het vonnis, dat hem opdraagt zijn brief aan de ouders van de Ibn Ghaldoun school, waarin hij hen waarschuwde voor de kwaliteit van die school, in te trekken. Hij moet die brief niet intrekken, maar eenzelfde brief sturen aan de ouders van de drie andere zeer zwakke scholen in de regio Rotterdam. Dat heeft hij ten onrechte nagelaten.

Zo laadt deze CDA-wethouder de verdenking op zich alleen de slechte kwaliteit van een islamitische school te zien (‘een splinter’), maar niet de even lage kwaliteit van drie openbare scholen van de Unie Noord in Rotterdam (‘de balk’). Dan pas zorgt deze wethouder echt voor de kwaliteit van het onderwijs.

Mijn interpretatie van de rechterlijke uitspraak kan ik rechtvaardigen met grondwetsartikel 23 (waarin de vrijheid van onderwijs wordt geregeld) en met het klassieke argument voor de opstand van de Nederlanden tegen hun legitieme overheid tijdens de Tachtigjarige Oorlog: „Als een hogere overheid faalt in het uitvoeren van zijn taken, dan hebben lagere overheden de morele plicht die taken uit te voeren.”

De zorg voor de kwaliteit van het onderwijs is in de Grondwet opgedragen aan de regering. „Het onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg der regering.” Dit is geregeld in artikel 23, waarin ook de vrijheid van het religieus onderwijs is vastgelegd.

De grondwettelijke vrijheid van het religieus onderwijs is dus niet in strijd met de kwaliteitbewaking daarvan door de overheid. De Grondwet spreekt dan ook van „eisen van deugdelijkheid” die aan al het onderwijs dat met belastingen wordt bekostigd, gesteld mogen worden, dus zowel aan de Ibn Ghaldoun-school als aan de Unie Noord-scholen. Overheidsbemoeiing met schoolkwaliteit en met vrije schoolkeuze horen bij elkaar.

Het stellen van kwaliteitseisen aan religieuze scholen die overheidssubsidie ontvangen, is een essentieel onderdeel van deze ‘vrijheid van onderwijs’, zoals die in 1917 in de onderwijspacificatie is geregeld.

Het recht van ouders (en leerkrachten) om met eigen middelen, scholen op te richten is veel ouder. Dat dateert uit de Franse Revolutie en hoort bij de klassieke vrijheden (vergadering, drukpers, et cetera).

Waar het bij de negentiende-eeuwse schoolstrijd om ging was het geld en de kwaliteit. Protestante en katholieke ouders wilden ook overheidsgeld voor hun religieuze scholen om dubbele kosten te vermijden: belasting betalen voor openbare scholen en contributies voor hun eigen scholen. De liberale overheid wilde de kwaliteit van het onderwijs verhogen en het toezicht op de matig functionerende religieuze scholen versterken. In 1917 is er dus een uitruil gemaakt tussen het geld en de kwaliteit. De religieuze scholen kregen evenveel subsidie als de openbare scholen en de overheid kreeg meer greep op de kwaliteit van alle scholen.

Deze uitruil tussen geld en kwaliteit bij openbare en religieuze scholen is niet uniek voor Nederland. In Frankrijk is die uitruil in 1959 gemaakt (wet-Debré) en nu gaat 15 procent van de Franse 15-jarige leerlingen naar gesubsidieerd katholiek onderwijs. Het overgrote deel gaat naar het openbaar onderwijs.

Door de onderwijspacificatie van 1917 kwam het grootste deel van het Nederlandse onderwijs in handen van schoolbesturen. Zolang die schoolbesturen deel uitmaakten van hun levensbeschouwelijke zuil, hielden geloofsgenoten het functioneren van die schoolbesturen in de gaten en corrigeerden die zo nodig achter de schermen.

Maar na de ineenstorting van deze zuilen in de jaren 70 is die levensbeschouwelijke controle weggevallen: er is geen mogelijkheid meer om hun disfunctioneren te corrigeren. Dat disfunctioneren geldt niet alleen voor islamitische schoolbesturen. De salariëring, die tegenwoordig door sommige schoolbesturen wordt toegekend, laat zien dat het disfunctioneren ook in het reguliere onderwijs voorkomt, en dat de regering daarbij machteloos toekijkt.

De zorg voor de kwaliteit van het onderwijs wordt overgelaten aan de Onderwijsinspectie. Terecht zegt de rechter dat de Onderwijsinspectie in eerste instantie daarvoor verantwoordelijk is. Maar de Onderwijsinspectie heeft geen instrumenten om in te grijpen als het fout gaat met de kwaliteit van scholen.

Dit ontbreken van instrumenten om op korte termijn een slecht functionerende school te sluiten bleek bijvoorbeeld duidelijk bij de grote verschillen in schoolcijfers en centrale eindexamencijfers. Ondanks alle beloften is de eindexamenlicentie van particuliere scholen die onverantwoord hoge schoolcijfers geven nog steeds niet door de Onderwijsinspectie ingetrokken. De Onderwijsinspectie is nooit verder gekomen dan het opstellen van nieuwe actieplannen; doorbijten kan en wil de inspectie niet.

Dat is ook niet raar, want de rekening voor de sluiting van scholen komt bij de minister van Onderwijs terecht. Hij heeft er dus alle belang bij een dergelijk drastisch besluit uit te stellen. En ondanks alle mooie woorden is de Onderwijsinspectie niet echt onafhankelijk.

De rechter heeft dit disfunctioneren van de Inspectie ten onrechte niet in zijn vonnis betrokken. Bovendien heeft de rechter vergeten dat het een morele taak van lagere bestuurders is te handelen als de hogere overheden hun taak verwaarlozen (klokkenluiderprincipe).

Wethouder Geluk moet dus geen excuusbrief sturen naar ouders en schoolbestuur van de Ibn Ghaldoun-school. Hij moet alle ouders van de Unie Noord-scholen waarschuwen voor de zeer zwakke kwaliteit van die scholen. Als lagere en hogere overheden het recht hebben ouders te waarschuwen voor de onomkeerbare negatieve gevolgen van alcohol en nicotine voor hun kinderen, dan hebben zij zeker de morele plicht om te waarschuwen tegen de onomkeerbare negatieve gevolgen van de keuze van een slechte school. Als het eerste niet onrechtmatig en disproportioneel is, dan is dat laatste dat zeker niet.

Jaap Dronkers is hoogleraar Sociale stratificatie en ongelijkheid bij het Europees Universitair Instituut bij Florence (Italië).

Lees een nieuwsanalyse over de rechterlijke uitspraak over de Ibn Ghaldoun-school op nrc.nl/opinie