Verdachte, geen koninkje

Karadzic wil zijn eigen verdediging voeren. Teveel luisteren naar de grillen van verdachten, belemmert echter het proces. Perk daarom dit recht in, vindt Jarinde Temminck.

Toen Radovan Karadzic donderdag 31 juli werd voorgeleid voor het Joegoslavië Tribunaal meldde hij: ‘Ik heb onzichtbare adviseurs.’ Hij doelde daarmee op de stoelen, bestemd voor zijn advocaten, die leeg waren gebleven.

Nu hij kenbaar heeft gemaakt zijn eigen verdediging te willen voeren, staat het Joegoslavië Tribunaal opnieuw voor het dilemma waar het bij de berechting van Slobodan Milosevic ruim zes jaar geleden ook voor stond. Moet het Tribunaal toelaten dat iemand die verdacht wordt van genocide en misdrijven tegen de menselijkheid zijn eigen verdediging voert?

Door Milosevic’s beslissing zelf zijn verdediging te voeren, duurde het proces zolang dat het uiteindelijk onafgerond is gebleven. Dat is een van de grootste teleurstellingen geweest voor het Joegoslavië Tribunaal. Met de arrestatie van Karadzic krijgt het opnieuw een kans. De juridische vraag is hoe het Tribunaal kan voldoen aan zijn opdracht de processen op een efficiënte manier binnen afzienbare tijd af te doen. Moet het daarbij tegemoetkomen aan het recht van de verdachte om zijn eigen verdediging te voeren?

Een leek heeft meer tijd en instructie nodig dan een gekwalificeerd advocatenteam. Een proces duurt dus hoe dan ook langer als een leek de verdediging voert. Bovendien kunnen verdachten de kans grijpen om hun proces tot een politiek spektakel te maken.

In tegenstelling tot het recht op een advocaat in een strafproces is het zelf voeren van de verdediging geen absoluut recht. De benadering van dit recht verschilt per rechttraditie. In de meeste Europese landen is procesvertegenwoordiging verplicht in juridisch ingewikkelde strafzaken. In Nederland is bijvoorbeeld voor de Hoge Raad een advocaat verplicht. In het Anglo-Amerikaanse rechtsysteem heeft de verdachte meer vrijheid om zijn proces te sturen. Als hij er bewust voor kiest zelf zijn verdediging te voeren, dan mag dat, maar dan dient hij hiervan ook de nadelige consequenties op de koop toe te nemen. Het probleem van het Tribunaal is dat zijn rechtsysteem een hybride is, waarin Anglo-Amerikaanse strafprocesrechtelementen domineren.

Het Tribunaal heeft inmiddels de nodige ervaring opgedaan met verdachten die dit recht hebben ingeroepen. Het zou dus niet te ingewikkeld moeten zijn om een juiste aanpak voor de dilemma’s ervan te vinden, ware het niet, dat alle relevante ervaringen tot nu toe niet tot een bevredigende oplossing hebben geleid.

De rechters van het Tribunaal zijn in hoge mate afhankelijk van wat de partijen hen ter zitting aan bewijs voorschotelen. Door de verdediging in de juridisch en feitelijk complexe processen van het Tribunaal aan de verdachte over te laten, kan het zijn dat de rechters van belangrijke aspecten over de schuldvraag van de verdachte verschoond blijven. In de zaak Milosevic en in de zaak van Momcilo Krajisnik werden Vrienden van het hof (amici curiae) aangesteld, om de rechters te informeren over verdedigingsargumenten die de verdachte mogelijk laat liggen.

Toen de gezondheid van Milosevic echter zichtbaar verslechterde en dit het proces vertraagde, werden dezelfde vrienden als advocaten aangesteld. Waar de Vrienden van het hof niet namens de verdachte spraken, werden de advocaten, die geen instructies kregen van hun ‘cliënt’ wel geacht dit te doen. Dit bracht hen in zo’n ingewikkelde positie, dat zij hun eigen aanstelling aanvochten.

Door het verplicht aanstellen van een advocaat voor een verdachte die weigert met deze advocaat te spreken of hem instructies te geven, breng je ook de advocaat in een benarde positie. Hoe kan deze een juiste belangenafweging maken tussen de belangen van de verdachte en die van het hof? Hoe kan deze een effectieve verdediging voeren zonder op de hoogte te zijn van de processtrategie die de verdachte voor ogen staat?

Uiteindelijk werden de advocaten op non-actief gesteld om Milosevic alsnog de nodige ruimte te laten, met alle gevolgen van dien. Het lijkt erop dat het Tribunaal soms teveel ruimte geeft aan de grillen van verdachten die zelf hun verdediging willen voeren. Krajisnik, die in hoger beroep zijn eigen verdediging voert, werd toegestaan een advocaat in te schakelen voor de schriftelijke argumentatie van één juridisch aspect.

In de zaak van Vojislav Seselj werd een ‘stand-by-advocaat’ aangesteld, om te kunnen inspringen als Seselj zijn recht op het voeren van zijn eigen verdediging zou verspelen. Seselj is herhaaldelijk berispt voor zijn onhoffelijke gedrag, maar steeds wanneer zijn eigen rechters hem het recht zelf zijn verdediging te voeren ontnamen, gaven de rechters in hoger beroep hem dit recht weer terug. Seselj diende zijn moties in een onleesbaar handschrift en in zijn eigen taal in.

Van een verdachte kan niet worden geëist dat hij moties indient in de werktaal van het Tribunaal (Engels of Frans). Maar het zelf voeren van de verdediging kan voor een verdachte geen vrijbrief zijn om alle procedurele voorschriften die voor een advocaat gelden aan zijn laars te lappen. Rechters moeten ook verdachten houden aan de procedurele spelregels.

Alle discussies over het al dan niet aanstellen van verplichte procesvertegenwoordiging vertragen de procesgang alleen maar meer. Een adequate en consequente aanpak is daarom van groot belang.

Er zijn stemmen die zeggen dat het Tribunaal verdachten simpelweg het recht tot het zelf voeren van hun verdediging moet ontnemen. Het gezondheidsaspect dat in het geval van Milosevic noopte tot aanstelling van advocaten, speelt bij Karadzic echter vooralsnog geen rol. Ook was Karadzic’s gedrag tijdens zijn voorgeleiding correct. Hij bleef beleefd en herhaalde regelmatig dat hij niets tegen het Tribunaal an sich had. Hij heeft natuurlijk de nodige jaren gehad om zich op deze situatie voor te bereiden en maakte nu al grondig gebruik van de gelegenheid die rechter Orie hem bood om commentaar te leveren op zijn arrestatie en de omstandigheden waaronder hij in vermomming zou zijn ondergedoken. Had een advocaat namens hem het woord gevoerd, dan is het onwaarschijnlijk dat deze evenveel ruimte zou hebben gekregen.

Het Joegoslavië Tribunaal is niet voor de eeuwigheid opgericht. Daarom is het noodzakelijk om processen efficiënt te voeren. Het karakter van het procesrecht van het Tribunaal leent zich er echter niet voor om de autonomie van de verdediging tot een minimum in te perken.

Daarom blijft de aanstelling van Vrienden van het hof de beste oplossing. Juist omdat de Vrienden niet ‘namens’ de verdachte zullen spreken.

Alleen wanneer Karadzic op een ontoelaatbare manier zijn eigen proces frustreert en een efficiënte afdoening van zijn proces onmogelijk maakt, zal het Tribunaal moeten ingrijpen en mag het zijn eigen verdedigingsrecht inperken of zelfs beëindigen. Het belang van een snelle afdoening van zijn proces, vanwege de deadline van het Tribunaal in 2010, mag Karadzic dit recht niet ontnemen.

Duidelijke regels kunnen het proces versnellen en de verdachte helpen een bewuste beslissing te nemen over de consequenties van zijn beroep op dit recht. Dit is het moment om te bewijzen dat internationale straftribunalen in staat zijn tot het voeren van een eerlijk en efficiënt proces en dus bestaansrecht hebben.

Jarinde Temminck Tuinstra promoveert binnenkort aan de Universiteit van Amsterdam op de positie van de verdediging voor internationale strafhoven.

    • Jarinde Temminck