Topensembles zijn ook ‘basisbehoefte’

Eén voor één hadden de muziekensembles dezer dagen een afspraak met het Fonds voor de Podiumkunsten+, om te reageren op de preadviezen over de subsidieverstrekking voor 2009-2012. Zoals minister Plasterk verwoordde in Zomergasten: de ensembles moeten verduidelijken waarom zij het gemeenschapsgeld verdienen. Subsidie mag geen „verslaving” worden.

De vraag is zinvol. Waarom verdienen ensembles subsidie? Om- en opdat ze ervoor zorgen dat nieuwe muziek blijft vernieuwen. Opdat ze oude muziek als nieuw tegemoet blijven treden. En omdat ze de kwaliteit hebben die daarvoor nodig is.

Verbazend zijn dus de argumentaties waarmee de muziekcommissie (voorzitter: AVRO-muziekredacteur Roland Kieft) behalve kleine spelers ook drie grote ensembles afserveert; gezelschappen van hoog, internationaal erkend niveau. Voor Ton Koopman is de klap het hardst. Zijn koor en orkest krijgen geen rijkssubsidie meer als het conceptadvies definitief wordt. Argumenten: Koopman kan niet langer bogen op een uitzonderingspositie, het beleidsplan is onvoldoende, het ondernemerschap zwak.

Dat de commissie zich inzet voor eigen initiatief, is goed. Maar Koopman maakt zijn naam al waar; subsidie vormt voor zijn Amsterdam Baroque Orchestra slechts 15 procent van de begroting, en voor de in eigen beheer uitgebrachte cd’s ontving het pas nog een prijs. Van de BBC, dat wel.

Wat opvalt in de beoordelingen die sommige ensembles ter inzage kregen, is het steeds loskoppelen van artistiek oordeel en subsidie. ‘Kwaliteit’ gold als kerncriterium, maar het zijn nu veelal praktische tekortkomingen waardoor de geldkraan wordt dichtgedraaid. Natuurlijk zijn cijfers en ondernemingszin vitaal voor een ensemble. Maar hoe en met welke impact men musiceert, weegt toch ook mee. Zo is het uitstekende, zeventig jaar oude Nederlands Kamerkoor een instituut waarvoor componisten hier én elders hebben gecomponeerd. Die „hoogwaardige spelkwaliteit” wordt onderkend, maar staat een korting met 60 procent niet in de weg. Het beleidsplan is slecht, de visie – bij een ensemble als het Kamerkoor toch allerminst geheimzinnig – „troebel”. Ook het ASKO/Schönberg wacht krimp; het krijgt wellicht slechts 1,1 van de gevraagde 3 miljoen. Want 25 producties per jaar is te veel en de meerwaarde van de fusie tussen ASKO en Schönberg Ensemble onduidelijk. Dat juist dit ensemble in de wandelgangen soms ‘verwend’ wordt genoemd, is logisch. Het kreeg al veel geld en vraagt het dubbele. Maar feit is óók dat de topmusici nog steeds te weinig verdienen en dat het ensemble een onmisbare steunpilaar is onder vernieuwende impulsen in het Nederlands muziekleven, met uitstraling tot ver daarbuiten.

De oplossing werd vorig jaar al aangedragen door kamerlid Atzo Nicolaï (VVD). ABO, ASKO/Schönberg, het Kamerkoor – ze moeten alsnog worden overgeheveld naar de Basisinfrastructuur (BIS), waar de symfonieorkesten al onder vallen. Als er dan toch gesneden moet worden, kies dan binnen de BIS voor gezelschappen die minder onderscheidend zijn. Wie kan uitleggen waarom alle tien symfonieorkesten wel een ‘basisbehoefte’ voor de kunst vertegenwoordigen en deze topensembles niet?

    • Mischa Spel