Supersnelrecht voldoet niet, zeggen rechters

Supersnelrecht biedt vaak te weinig tijd om een rechtszaak voor te bereiden. Dat heeft een averechts effect op het door de Tweede Kamer gewenste lik-op-stuk-beleid tegen openbare geweldplegers.

Dat staat in een brief die de Raad voor de Rechtspraak aan minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) heeft geschreven. De brief is niet openbaar, maar een woordvoerder van de Raad voor de Rechtspraak bevestigt de conclusies. De minister had zelf om de brief gevraagd.

Bij supersnelrecht moeten verdachten binnen drie dagen voor de rechter komen. In Den Haag en Rotterdam hebben politie, Openbaar Ministerie (OM) en de rechtbanken het afgelopen half jaar proeven gehouden met supersnelrecht. Dat gebeurde na hevige rellen bij de jaarwisseling.

Die rellen waren voor de Tweede Kamer de directe aanleiding om nieuwe aandacht voor supersnelrecht te eisen. Er vielen honderden gewonden en auto’s en scholen werden op grote schaal in brand gestoken. Hulpverleners werden agressief benaderd door omstanders. Honderden relschoppers werden opgepakt. Volgens een Kamermeerderheid zou van een snelle berechting een afschrikwekkend effect uitgaan. De Kamer eiste daarom van de minister dat rechtszaken ook ’s avonds en in het weekend worden gehouden.

In de praktijk blijkt, volgens de Raad voor de Rechtspraak, dat drie dagen onvoldoende zijn voor de politie en het OM om volledige dossiers aan de rechtbank aan te leveren. Veel van deze zaken worden dan alsnog aangehouden tot er wel voldoende informatie is voor een rechtszaak. „Juist in dit soort zaken gaat het vaak om groepen verdachten. Dan moet goed worden uitgezocht wie wat heeft gedaan. Het lukt vaak niet binnen drie dagen die bewijslast te verzamelen”, zegt de woordvoerder van de Raad. Verdachten en getuigen moeten worden gehoord en het papierwerk inhoudelijk op orde gemaakt. Ook moet de verdediging de kans krijgen zich op de zaak voor te bereiden.

Sinds 2002 worden er in verschillende steden proeven gedaan met supersnelrecht. In Amsterdam gebeurde dat met bekennende verdachten, in Den Haag met bekende veelplegers. Minister Hirsch Ballin komt later met een reactie op de brief van de Raad.