Snert met worst blijft mijn habitat

Beeld Solko Schalm en Wibbine Kien Briefwisseling Gerrit Komrij en Hafid Bouazza Beeld Solko Schalm & Wibbine Kien Schalm, Solko;Kien, Wibbine

Olá, jonge Turk,

Het proza begrijpen van Sybren Polet, tja dat is de laatste graad van verstandsverbijstering. Al kom je met viagra en mededogen ook een eind.

Je legt de vinger op de wonde, Hafid. ’t Is mijn astrale lichaam dat wil vliegen, jawel. En in dat astrale lichaam huist de dichter. Dat mijn andere lichaam niet eens passabel kan fladderen – op en top een ooievaar en geen nachtegaal, laat staan een adelaar – dat hoef je me niet nog eens in te peperen.

Ik kan in de spiegel kijken.

De altijd koketterende ik in mij had gehoopt dat het beeld van de snavel in de modderpoel ietwat aandoenlijker zou werken, dat de sulligheid zelfs aanleiding zou vormen tot een vertederde glimlach.

Het vrolijke van de val, om een andere definitie van je bathos te geven. De anticlimax. Niet het lage dat in het hoge zit, het slijk in het hemelse, maar het banale, het platvloerse, het ridicule als bevrijding uit de knellende banden van het hogere en het sublieme.

Het aardse naast het hemelse. Het aardse als afzuigputje als de lucht te dik en te wee wordt van al die valken en meesters en mignons en halfgoden. Het pruttelende afzuigputje dat me redt van het machtige gedonder en gebliksem.

Of we ons nu een adelaar wanen of ons als een worm in de etalage leggen, het komt in beide gevallen neer op koketteren. De mens is de maat van alle menselijke dingen, en het blijft een kutmaatje.

Omdat je het onbeholpen uitglijden van de would be-vliegenier ving in woorden als ‘op je smoel gaan’ en ‘op zijn bek gaan’ kleven er nu ineens associaties aan van vernedering, misrekening en welverdiend loon. Associaties die geen moment bij me opkwamen.

De mooie vlucht ontbeer ik, jawel, maar toch was ik uit op een mooie val. Niet stuntelend, maar met een ontvelde neus, een gebroken neusbrug als het even kon, en met bebloede lippen. Een uitglijer van jewelste. Het bloed gutsende over mijn kin en laatste haren. Geen val van een astraal lichaam, maar van een strompelaar van vlees. Het spijt me dat die val verwarring bij je opriep. Ik had ook geen modder of slijk moeten nemen, maar grint, straatstenen, asfalt.

Die vlucht van je hierboven, weet je, dat is wel de literairste vlucht die ik me kan voorstellen. Zo vlieg je ook alleen in de boekjes. Mag ik dan even met mijn val? De geest heeft in die poëtische vlucht alles geconfisqueerd, alles is roes en vervoering geworden, alle vlees werd woord, alle handen en voeten zijn veertjes.

Persoonlijk leef ik bij wisselbaden. Je zelf verliezen, het verlangen naar het verlies van je zelf, de angst je zelf te verliezen, om en om komen ze op. Angst, wel, nu ja, ik ben niet zo bangelijk aangelegd. Noem het liever nuchterheid. Uiteindelijk komt het neer op nuchterheid. Mijn houvast is de aarde. Ik ben tenslotte degene die in de aanbevelingstekst achterop zijn debuut, in precies dezelfde periode dat hij het over ‘een keur van voortreffelijke sappen in zijn hachje’ had, schreef dat zijn lievelingsdichtregel luidde: ‘Ziezo de dag zit er weer op, bekroond door snert met worst.’

Over poëzie gesproken.

En het geschiedde in de dagen dat Sybren Polet ook al op het hoogtepunt van zijn kunnen was.

Ik begon mijn leven met vallen. Mijn mond valt nog altijd open van bewondering voor de vliegers, maar snert met worst blijft mijn habitat. Het nadeel van de aarde, evenwel, is dat je te maken krijgt met de mensen die erop rondlopen. Daar is geen kruid tegen gewassen. Ze zoeken naar vleugels en ze zoeken naar God. Woordenweefsels worden hun vangnet en tuimelen doen ze nooit,

je overigens volstrekt zorgeloze zieltje,

Gerrit