Rubuuste onstuimigheid bij jonge musici

Klassiek: Nat. Jeugdorkest (NJO) o.l.v. P. McCreesh en E. Siebens. Werken van Mozart, Dvorák, Ives en Barnacle. Gehoord: 7/8 De Vereeniging, Nijmegen. Nog t/m 24/8; www.muziekzomer.nl

Muziekstudenten van over de hele wereld, die een zomer in Nederland samenwerken en concerteren onder leiding van topdirigenten en – musici. Dat is het recept van de NJO Summer Academy. De opening van de Internationale Muziekzomer Gelderland, aan elkaar gekeuveld door Edwin Rutten, bracht een voorproefje van de concerten die nog komen.

De grote belangstelling van musici voor de Summer Academy maakt het mogelijk verschillende ensembles samen te stellen: één gericht op oude(re) muziek en een ‘modern’ ensemble. Toch kon dirigent Etienne Siebens (van het moderne kamp) het niet laten Rutten erop te wijzen dat íedere muzikant zich met de muziek van vandaag zou moeten bezighouden, net als dat in de tijd van Mozart of Beethoven het geval was.

De musici van het naar negentiende-eeuws model samengestelde kamerorkest onder leiding van Paul McCreesh lieten echter horen dat het ook loont je op één ding te concentreren, en dat dat soms al moeilijk genoeg is. Mozarts Ouverture Don Giovanni en Dvoráks Zevende symfonie klonken beide robuust en onstuimig, met nu eens wonderschone momenten, dan weer jeugdig ongeduld. McCreesh zorgde voor duidelijke contouren en moest daartoe geregeld ingrijpen bij wat al te exponentieel verlopende crescendo’s.

Muziekzomer Gelderland heeft een ‘Composer in Residence’, John Adams, van wie gisteren nog niets te horen was (vanavond wel), maar ook een ‘Young Artist in Residence’: de Nederlandse violiste Lisanne Soeterbroek. Pianiste Hanna Shybayeva begeleidde haar statig in Schuberts Rondo brillant in b, op. 70 en mocht soms juist wat lichtvoetiger spelen. Soeterbroek imponeerde met een volwassen toon en expressie, al leek het Rondo wat aan de lange kant.

Het Moderne Ensemble van de Summer Academy speelde onder Siebens een prettig tijdloze The Unanswered Question van Charles Ives, met een trompettist die achter de coulissen perfect zijn of haar noten speelde en ook tijdens het applaus onzichtbaar bleef.

Granite Melting (2008) van de Australische componist Angus Barnacle (1976), een wereldpremière, laveerde knap tussen quasi-achteloos pointillisme en plotselinge concentratie. Eigenlijk was het werk een mooie NJO-metafoor: hoe ogenschijnlijk onsamenhangende elementen toch dezelfde kant op blijken te bewegen.

    • Jochem Valkenburg