Plaagdierbestrijding

De man in de spierwitte broek met het zwarte T-shirt. Beetje bedacht, vind ik, maar toch niet onaardig. Man vindt die broek te wit voor een man. Als het nu een blonde vrouw was geweest, was het wat anders, zegt hij, hoewel hij die liefst helemaal in het wit ziet.

Ja, daar hebben we wat aan, grinnik ik, ik wil weten hoe jij de kleren van die man vindt en jij zegt dat je liever een in het wit geklede blonde vrouw voorbij ziet komen.

Het is heel gezellig op het Drentse terras waar we na een vergeefse paddestoelenspeurtocht onszelf troosten met bier en bitterballen. Vakantie!

Daar rijdt een bestelautootje voorbij. ‘Plaagdierenbestrijding’ staat er in grote letters op. Ha! Het plaagdier! Zoals daar zijn? Alles waar je ‘plaag’ achter kunt zetten? Muizenplaag, rattenplaag, sprinkhanenplaag.

Maar motten, daar zet je geen plaag achter en dat zijn misschien toch wel plaagdieren. Toch kan het wel: mottenplaag. Wespenplaag. Kakkerlakkenplaag.

Kun je een hondenplaag hebben? Als er honden in de buurt zijn die elke nacht keihard blaffen, vind je zelf van wel, maar dat autootje komt dan natuurlijk niet langs om die honden tot stilte te manen. Dat autootje wil gif strooien of spuiten, daar kun je rustig vanuit gaan, of vallen zetten met lokstoffen erin. Plaagdieren zijn dieren waarvan we het niet zielig vinden als ze uitgeroeid worden. Mieren. Muggen. Vliegen.

Weinig insecten kunnen eigenlijk maar op onze sympathie rekenen. Behalve misschien bijen en hommels.

Als je een tuin hebt, heb je ook ineens meer plaagdieren. Dan ga je vanzelf terugplagen. De slakken bijvoorbeeld. In het begin pakte ik dat heel ambachtelijk aan, ik raapte ze slak voor slak op en gooide ze over de sloot, zodat ze in het weiland aan de andere kant hun vraatlustige gang konden gaan. Maar na een poosje had ik spierpijn van het gooien – elke dag trokken de slakken in keurige Romeinse cohorten onder leiding van hun centurions over mijn grasveld op weg naar de basilicum, de hosta’s, de dahlia’s, de jonge riddersporen. Naar alle jonge plantjes eigenlijk. Behalve naar die van plaagplanten – ik noem de brandnetel en het zevenblad – die lieten ze ongeïnteresseerd staan. Dus nu bescherm ik hun lekkernijen met slakkenkorrels. En verder is het goddank een slecht slakkenjaar.

En dan bof ik nog, zo zei mij iemand die er wel last van had, dat ik geen mineermot in mijn kastanje heb. Dat is een enorme aanslag op je levensvreugd en geestelijke gezondheid. De larven van die rottige mot vreten de kastanjebladeren aan, zodat je boom er midden in de zomer al uitziet alsof het eind oktober is. In Amsterdam zie je hele voorheen idyllische pleintjes er gedeprimeerd bij staan.

Het goede nieuws is: er is nu een middel. Je moet feromonenlokstof in je boom hangen met daaronder een bekertje met afwasmiddel. De motten kruipen naar de voor hen heerlijke geur en donderen dan daarna in je afwasmiddel. Zo ongeveer.

Mijn dolgelukkige zegsman, nu de vleesgeworden plaagdierbestrijding, wist ook hoe je aan die feromonen moest komen: via storix boombeheer (www.storix.nl). Ik geef het maar door, ook aan de gemeente Amsterdam en aan andere slome gemeenten.

Helaas de bitterballen zijn op. We gaan weer.