Niet te veel bloed uit de hals, svp

Misdaad, wandelende lijken en vampiers in stripboekjes riepen in de VS na de oorlog morele paniek op. Een mooi boek laat zien hoe de Comics Code (1954) de grenzen van de comics bepaalde.

Drie ‘omstreden’ Amerikaanse EC-comics (herdrukken) uit begin jaren vijftig

David Hajdu: The Ten-Cent Plague. The Great Comic-Book Scare and How It Changed America. Farrar, Straus en Giroux, 434 blz. € 26,–

De arrestatie van de cartoonist Gregorius Nekschot leverde dit voorjaar hevige protesten op en klachten over censuur. Cartoonisten hebben vrijheid van meningsuiting, heette het, ook al is hun werk grof, onsmakelijk en aanstootgevend voor de goede zeden of het fatsoen.

Het incident doet in de verte denken aan een roemruchte episode in de geschiedenis van de Amerikaanse comics. Vanaf de jaren veertig van de 20ste eeuw, toen comic books (aparte boekjes, te onderscheiden van krantenstrips) met misdaad- en griezelverhalen met miljoenen per jaar over de toonbank gingen, sloeg in de VS de angst voor verloedering van de jeugd keihard toe. Het was de tijd van de Koude Oorlog, van vrees voor zowel subversie van buitenaf als decadentie van binnenuit. De paniek leidde tot wettelijke verboden op strips, hoorzittingen in de Senaat, en ten slotte tot een draconische zelfregulering van de stripuitgevers, waarvan honderden titels en tekenaars het slachtoffer werden.

David Hajdu concentreert zich in The Ten-Cent Plague, een reconstructie van de morele paniek in de VS over strips, terecht op de beroemde EC Comics van uitgever William Gaines. Met titels als The Vault of Horror, Tales From the Crypt, Crime SuspenStories en Shock SuspenStories vormden Gaines en zijn stal van tekenaars begin jaren vijftig de avant-garde van de stripwereld. Zijn op schokeffect geschreven verhalen, getekend door jonge talenten als Graham Ingels, Jack Davis en Wallace Wood, waren vernieuwend, ironisch, maar vaak ook grotesk en walgelijk. Afgehakte ledematen, ontbindende lichamen en wraakzuchtige weerwolven bevolkten de pagina’s van deze ‘kinderboekjes’. Harvey Kurtzman, bedenker van EC’s onstuimig succesvolle Mad, heeft Gaines later wel verweten met zulke strips om censuur te vrágen.

Gaines was dan ook een van de kroongetuigen voor de Senaatscommissie die in 1954 onderzoek deed naar een mogelijk verband tussen comic books en jeugddelinquentie; de paniek over strips was een afgeleide van de bredere zorg om misdaad en zedenverval. De getuigenis van de uitgever werd een nationale sensatie die voor Gaines averechts uitpakte en de campagne tegen strips juist nieuw voedsel gaf. Gaines belandde in absurdistische dialogen met leden van de commissie, die hem aan de tand voelden over zijn horrorcomics.

‘Hier is uw nummer van 22 mei’, begon senator Estes Kefauver bijvoorbeeld, verwijzend naar een huiveringwekkende omslag van Crime SuspenStories. ‘Dit lijkt een man met een bloedige bijl die een van de romp gescheiden vrouwenhoofd omhooghoudt. Vindt u dat behoorlijk?’

Gaines, onverstoorbaar: ‘Ja, meneer, voor de omslag van een griezelstrip wel. Onbehoorlijk zou men de omslag bijvoorbeeld kunnen noemen als het hoofd een beetje hoger werd gehouden, zodat het uit de hals druipende bloed zichtbaar werd, of als het lichaam een beetje verder verschoven was, zodat de bloederige nek van het lichaam zichtbaar werd.’

Kefauver geeft niet op: ‘Er komt op uw plaatje bloed uit haar mond.’

Gaines, relativerend: ‘Een beetje.’

Het stoïcijnse professionalisme van Gaines over de ‘behoorlijke’ bebloede bijl en onthoofde vrouw, haalde alle kranten – en deed zijn zaak geen goed. Terwijl Gaines met EC juist artistieke integriteit en originaliteit hoog in het vaandel had, kwam hij over als een berekenende kapitalist.

Bovendien zat er een tegenstrijdigheid in zijn verdediging van comics. Die kwam er op neer dat strips ‘toch maar amusement’ waren, dat geen sporen naliet op de kinderziel. Maar aan de andere kant wees hij op de maatschappelijke relevantie van de meer ‘prekerige’ verhalen in de EC-boekjes, zoals hij ze noemde, die een voor die tijd gevoelige boodschap van rassengelijkheid, raciale tolerantie en vrijheid van geloof en meningsuiting uitdroegen. Ook zijn oorlogsstrips, Two-Fisted Tales en Frontline Combat (geproduceerd door de geniale Kurtzman) waren, ondanks de martiale titels, allesbehalve eendimensionale knokstrips, maar goed gedocumenteerde, genuanceerde moraalvertellingen.

De commissie-Kefauver kon uiteindelijk geen verband vinden tussen jeugdmisdaad en stripboeken, maar riep de comic-industrie wel op tot zelfregulering. En die kwam er. Onder zware publieke druk legde de vereniging van stripuitgevers, de Comics Magazine Association of America (CMAA), een gedragscode op aan haar leden, die vijftig jaar later leest als een Noord-Koreaans instructieboek. Deze Comics Code (1954) verbood bijna alles – van het afbeelden van extreem geweld en seksuele perversiteiten (waartoe homoseksualiteit werd gerekend) tot grappen over het huwelijk en zelfs het gebruik van de woorden ‘horror’ en ‘terror’ in striptitels.

In één klap werden bijna alle EC-titels, en honderden anderen, van de tafel geveegd. Gaines probeerde het hoofd nog een tijdje boven water te houden met sciencefictionstrips, maar botste zelfs daarmee op de Code. Nota bene in een moralistische strip over (buitenaardse) vooroordelen moest de enige zwarte astronaut op last van de toezichthouder van de Code blank gemaakt worden, of op zijn minst worden ontdaan van de parelende zweetdruppels op zijn voorhoofd. Gaines weigerde, stapte uit de vereniging en legde zich voortaan toe op Mad, dat aan de Code ontsnapte omdat het een tijdschrift werd, en waarin hij wraak kon nemen op de bekrompenheid waaraan zijn geliefde vampiers ten slachtoffer waren gevallen.

David Hajdu’s reconstructie van de morele paniek over comics levert een mooi verhaal op, met verhelderende portretten van de hoofdrolspelers. Hajdu wijst erop dat de eerste echte strips (stroken met beeldverhalen in de zondagedities van Amerikaanse kranten) vaak het werk waren van eerste-generatie immigranten, die er hun ervaringen op een satirische manier in verwerkten. Zoals de ‘Yellow Kid’ en het Duitse duo Hans en Fritz, de Katzenjammer Kids, die maatschappelijk commentaar gaven in gebroken Engels (‘Society iss nix’). Geen wonder dat strips al vanaf eind 19de eeuw onderwerp van morele bezorgdheid werden voor de stedelijke elite, die aandrong op assimilatie en beschaving van de nieuwe immigrantengroepen.

Die angst voor subversie en satire keerde terug in de jaren vijftig, middenin de Koude Oorlog en de angst voor communistische infiltratie. Toch was de burgerlijke paniek over strips een fundamenteel ander verschijnsel dan het McCarthyisme, meent Hajdu. Het laatste was eerder een anti-elitaire, populistische beweging gericht tegen de overheid. Ook over de verguisde psychiater Fredrick Wertham, die met zijn boek Seduction of the Innocent (1954) de morele paniek over strips flink opstookte, is hij genuanceerder dan veel van diens latere aanklagers. Werthams, die Batman en Robin ‘ontmaskerde’ als homoseksuelen en Superman als een crypto-fascist, was geen gewone conservatieve zedenprediker, maar ook een activist tegen racisme die vreesde dat het fascisme naar Amerika zou overwaaien – vandaar zijn afkeer van ‘superhelden’, die hij associeerde met de Uebermensch. Dat neemt niet weg dat zijn geruchtmakende boek vooral pseudowetenschap bevatte.

Hajdu maakt ook duidelijk dat lang niet alle uitgevers zo gewetensvol waren als de bejubelde Gaines en zijn selecte club van getalenteerde tekenaars. Stripboekjes, waarvan op het hoogtepunt in 1948 tachtig tot honderd miljoen exemplaren per jaar (sic) werden verkocht, waren big bucks, met een omzet van circa tachtig miljoen dollar. Voor sommige uitgevers was het simpel: „Het kon me geen donder schelen wat er in stond”, zegt die van het gewelddadige Weird Chills nu tegen Hajdu. Zolang de kids het maar kochten.

Dat wekt dan weer enige sympathie voor de Werthams in deze episode, ook al ging de knevelcode waar hun morele mobilisatie toe leidde, veel te ver. Talloze scriptschrijvers en tekenaars verloren hun baan (achterin het boek staan er ruim zevenhonderd opgesomd), het aantal comic-titels kelderde van zo’n 650 naar 250. Op termijn ondergroef de censuur bovendien zichzelf: de EC Comics kregen een cultstatus en legden, met Mad, de basis voor de underground-strips van de jaren zestig, die zich met hun orgies van seks, drugs en geweld niets aantrokken van de Code.

Over de gevolgen van de strippaniek en het verzet ertegen is Hajdu, ondanks de ondertitel van zijn boek, nogal summier én vooringenomen. ‘Het is de moeite waard geweest’, stelt hij simpelweg vast. Misschien. Eén ding is zeker: vergeleken bij de huidige generatie action games waren de EC-vampiers inderdaad nog maar kinderachtige bangmakerij.

    • Sjoerd de Jong