Lekker met De Bom de wereld koloniseren

Hiroshima en Nagasaki werden 63 jaar geleden door atoombommen getroffen.

De inzet was: eeuwige vrede in een Nieuwe Wereldorde. Dat is een illusie gebleken.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer Lekker met De Bom de wereld koloniseren Atoomwapens zijn, 63 jaar na Hiroshima, nog altijd cruciaal in Amerika’s buitenlandpolitiek Oppenheimer, Ruben L.

Op 6 en 9 augustus 1945 vielen de atoombommen op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. De inzet van deze bommen kreeg destijds veel bijval. Ze zorgden namelijk voor een snelle en onvoorwaardelijke overgave van Japan, en maakten daarmee een eind aan de Tweede Wereldoorlog.

Zo luidt althans de officiële, en nog steeds dominante, zienswijze. Eind jaren 60 kwam er echter een tegengeluid: de Amerikanen hadden het atoomwapen gebruikt om de Sovjet-Unie te imponeren – de Japanse overgave was bijzaak. Beide verklaringen leken elkaar uit te sluiten.

Maar aanhangers van de verklaringen bleken beide ongelijk te hebben toen het bronnenmateriaal uit 1945 openbaar werd. Deze bronnen noemen vier – ongeveer gelijkwaardige – motieven achter het gebruik van het atoomwapen.

Ten eerste wilden de machthebbers concrete ‘resultaten’ om te voorkomen dat ze na de oorlog van geldverspilling zouden worden beschuldigd. Ten tweede wilden ze een snelle, maar onvoorwaardelijke overgave van Japan, mede om daarmee, het derde motief, de Sovjet-Unie buiten de oorlog tegen dit land te houden. En ten slotte wilden ze de hele wereld, en in het bijzonder de Sovjet-Unie, doordringen van hun militaire macht in de hoop daarmee politiek voordeel te behalen.

Welk voordeel? Voor deze vraag gaan we naar de zomer van 1941, toen de regering van de Verenigde Staten besloot te streven naar een nieuwe naoorlogse wereldorde. Analyses van de Council of Foreign Relations hadden duidelijk gemaakt dat de Amerikaanse economie het meest gebaat is bij een vrije toegang tot markten en grondstoffen in een zo groot mogelijke invloedssfeer. Daarom wilde Washington zowel het Britse koloniale imperium als het door Duitsland en Japan beheerste gebied vervangen door één grote, door de Verenigde Staten gedomineerde invloedssfeer. Om dit te bereiken besefte het al in 1941 dat eerst de asmogendheden verslagen moesten worden.

Op de conferenties in Potsdam en Londen, van respectievelijk juli en september 1945, wilden de Verenigde Staten hun denkbeelden over de inrichting van de nieuwe naoorlogse wereldorde aan de andere deelnemers opleggen. Washington meende zich hierbij gesteund door de ‘gunstige’ resultaten van zijn nieuwe wapen bij zowel de test in de woestijn van New Mexico als later in het echt op Japan. Deze poging mislukte. Molotov, de toenmalige minister van buitenlandse zaken van de Sovjet-Unie, liet zich in Londen in het geheel niet intimideren. Sterker nog, hij maakte zijn Amerikaanse tegenspeler Byrnes en het atoomwapen belachelijk en weigerde Amerikaanse bedrijven en banken de toegang tot Oost-Europa.

Na 1945 ontwikkelde zich de Pax Americana, een wereldorde onder Amerikaanse leiding, met als uitgangspunten democratie en een zo vrij mogelijke toegang tot markten en grondstoffen. De Amerikaanse militaire macht, ondersteund door het atoomwapen, diende vrede te garanderen. Kort na 1945 noemde president Truman dit wapen de hoeder van de beschaving. De Sovjet-Unie was volgens Washington voornaamste bedreiging van deze beschaving.

Die dreiging leek aanvankelijk in Europa te liggen, maar al snel besefte Washington dat zijn invloedssfeer in de Derde Wereld ernstiger gevaar liep. Dat gevaar kwam niet zo zeer van de Sovjet-Unie, maar van nationalistische of linkse verzetsbewegingen die streden tegen koloniale of pro-westerse regimes. De ‘Sovjetdreiging’ hield in dat Moskou zulke bewegingen vaak van wapens voorzag, met de kans dat zij de staatsmacht zouden veroveren.

Vanaf het begin van de jaren ’60 gingen de Verenigde Staten zich intensief met de Derde Wereld bemoeien. Bedreigde regimes konden rekenen op steun in de vorm van wapenleveranties, vergezeld van opleidings- en trainingprogramma’s. Ruim 400.000 militairen uit talrijke ontwikkelingslanden zijn door de VS opgeleid. Dit werd aangevuld met een actief militair optreden, zoals vlootmanoeuvres en directe of indirecte interventies. Destijds ondersteunde Washington zijn Derde Wereldbeleid ruim negentig maal met militaire middelen.

Ongetwijfeld levert het Amerikaanse kernwapenarsenaal een bijdrage aan de bescherming van het eigen land en Europa, maar in de praktijk ondersteunde het vooral het beleid ten aanzien van de Derde Wereld. Er zijn dertig voorvallen gedocumenteerd, waarbij Washington, meestal door manoeuvres of een verhoogde paraatheid van legeronderdelen met kernwapentaken, tegenstanders probeerde duidelijk te maken bereid te zijn kernwapens in te zetten.

Zo werd de Sovjet-Unie openlijk met kernwapens bedreigd bij de Suezcrisis in 1956, de Amerikaanse interventie in Libanon in 1958, de Cubacrisis in 1962 en de Arabisch-Israëlische oorlog van 1973. Ook gebruikte Washington bedektere nucleaire dreigementen, onder andere tijdens de Korea-oorlog, en de crises in Jordanië in 1958 en in de Perzische Golf in 1980 en 1981.

Eenentwintig van deze dertig voorvallen hadden betrekking op conflicten of crises in de Derde Wereld. Alle openlijke of bedekte dreigementen hadden de bedoeling de Sovjet-Unie, China of Noord-Vietnam, te dwingen zich bij crises of Amerikaanse interventies afzijdig te houden, of andere concessies te doen. Tot ongeveer 1970 waren nucleaire dreigementen geloofwaardig, daar Washington een zogeheten escalatiedominantie bezat, wat inhield dat het op elk niveau van een (nucleair) conflict de kracht van de Sovjet-Unie kon overtreffen. Het ontstaan van een nucleair evenwicht rond 1970 maakte nucleaire dreigementen voortaan ongeloofwaardig, zodat de ‘bruikbaarheid’ van Washingtons kernwapens sterk verminderde.

Moskou trok hieruit de conclusie dat het zich actiever met de Derde Wereld kon inlaten. Het gevaar van escalatie was immers geringer. Het merendeel van de 41 militaire operaties die Moskou tot 1980 in de Derde Wereld uitvoerde, vond pas in de jaren 70 plaats. Een reactie liet niet lang op zich wachten. De regering-Reagan, die aantrad in 1981, kwam er openlijk voor uit de escalatiedominantie te willen herstellen, en rechtvaardigde dit onder meer door te wijzen op het ‘Sovjetexpansionisme’ in de Derde Wereld.

De focus van het Amerikaanse beleid ligt tegenwoordig in de gebied rond de Perzische Golf. Daar ziet Washington twee problemen. Aan de ene kant groeit de anti-westerse, dit maal islamitische, oppositie in landen die al decennia in de Amerikaanse invloedssfeer vertoeven. Bij deze landen wil Washington helpen verhinderen dat deze oppositie de staatsmacht verovert, met als gevolg dat het land de westerse invloedssfeer verlaat. Aan de andere kant wil Washington de twee landen die het recent met militair geweld in die invloedssfeer heeft opgenomen, Irak en Afghanistan, niet opnieuw verliezen.

De Amerikaanse reactie verschilt maar weinig met die van vroeger. Het is weer een combinatie van counterinsurgency (de bestrijding van opstandelingen), gecombineerd met politieke en militaire druk op landen als Iran en Syrië, vanwege hun steun aan anti-westerse bewegingen.

Washingtons kernwapenarsenaal speelt bij dit beleid opnieuw een voorname rol. Woordvoerders hebben, verwijzend naar dit gebied, meermalen verklaard in geval van nood bereid te zijn tactische kernwapens in te zetten. Amerikaanse eenheden in dit gebied functioneren als een soort schrikdraad: komen ze in gevaar, dan dreigt escalatie. Als dit risico een gevolg is, dan kan het ook een bewust na te streven doel zijn, redeneert Washington. Het verwacht dat tegenstanders zich door dit risico terughoudender zullen opstellen. Om de geloofwaardigheid van nucleaire escalatie te vergroten, wordt een rakettenschild ontwikkeld om aanvallen van bijvoorbeeld Iran in een vroeg stadium te onderscheppen.

Kernwapens zijn een onlosmakelijk onderdeel van het Amerikaanse buitenlandse beleid. Centraal in dit beleid staat de (dreigende) inzet van conventionele strijdkrachten, ondersteund door een nucleaire dreiging. Dit is vanaf de eerste atoombommen op Japan het geval geweest. Washington heeft dit na Japan voortgezet met openlijke of bedekte nucleaire dreigementen, meestal gecombineerd met grootschalige conventionele operaties, op het moment dat zijn invloedssfeer in het geding was. Met een geloofwaardige nucleaire dreiging heeft Washington de eigen speelruimte in de Derde Wereld geprobeerd te vergroten en die van zijn tegenstanders in te perken.

De atoombom heeft niet de eeuwige vrede gebracht. Europa leeft al decennia in relatieve vrede, maar het is moeilijk te bewijzen dat dit door het Amerikaanse kernwapenarsenaal is bewerkstelligd. Dit arsenaal heeft eerder gefunctioneerd als een paraplu waaronder Washington vrij kon interveniëren in de ontwikkelingslanden. Dat heeft aanzienlijk meer slachtoffers gekost dan de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Miljoenen meer.

Rob Gallenkamp is politicoloog. Hij publiceerde eerder het boek ‘Waarom Washington Meer Wapens Wil’ (1988).