Ikken

Foto uit het boek ‘The Invention of Solitude’ van Paul Auster, een portret van zijn vader, gemaakt in de veertiger jaren

Op woensdag werd ik gebeld met de vraag of ik op zaterdag de dichter Pieter Boskma kon vervangen op Het Tuinfeest in Deventer. Ik aarzelde geen moment, omdat ik het een eer vond zijn plaats te mogen innemen. Bovendien behoort Het Tuinfeest tot de meest aangename poëziefestivals van Nederland. Een deel van het oude centrum in Deventer wordt er voor afgezet, zodat er uitsluitend poëzieliefhebbers in het stadsdeel rondlopen. Op deze dag, op deze plek van de wereld, hoef je je er niet voor te schamen dat je graag gedichten leest, dat je ze zelfs maakt. Je kunt er ronduit voor uitkomen dat je van poëzie houdt. En wanneer je op een podium gaat staan in een van de middeleeuwse tuinen, is die tuin vol belangstellenden. Ze luisteren naar je gedichten.

Wanneer je te laat bent om een dichter te horen, mag je de tuin niet meer in en moet je wachten op een volgende gelegenheid. Zelf was ik maar één gedicht te laat bij het optreden van Krijn Peter Hesselink, maar ik werd door een medewerkster van het tuinfeest onvriendelijk en dringend verzocht de tuin te verlaten. Ik glipte langs haar heen om me tussen het publiek in te wurmen. Daarvandaan zag ik Hesselink gebaren maken terwijl hij zijn gedicht Vliegtuigje uit het hoofd opzegde:

Je zei dat je een vliegtuigje van me wilde vouwen

je wilde me vanaf je raam op vierhoog omlaag zien zeilen

het was zomer en ik maakte een zwenking, een vlinder

schrok op, landde bijna op een vleugel, jouw raam

werd kleiner en kleiner, de tuinen die beneden

op mij wachtten kwamen maar niet dichterbij

Dit las ik in een propje papier zo verfrommeld

dat het wel nooit meer door de lucht zou zeilen

of hooguit in een kinderlijk boogje

Bij de laatste regel wierp de dichter een denkbeeldige prop papier van de ene in de andere hand en het was vreemd, maar heel even voorstelbaar dat daar de dichter ging, van de ene in de andere hand, verfrommeld en verlaten door een geliefde. Of moest ik de dichter zelf niet herkennen in de ‘ik’ die spreekt in het eerste gedeelte van het gedicht, en al helemaal niet in de prop? Het meest verwarrende is dat er na de witregel blijkt dat al het voorgaande is gelezen door mogelijk nog een andere ‘ik’.

Het gebaar met de prop zat me dwars. Terwijl de dichter de denkbeeldige prop gooide, zag ik hem uiteen vallen in dichter, voordrager, prop en onderwerp van het gedicht.

Eerder die dag was ik al geconfronteerd met het probleem van hoeveel ikken tegelijk te verdragen zijn. Op weg naar het Centraal Station van Amsterdam raakte ik verstrikt in de drukte rondom de optochten van de Gay Pride. Eenmaal in Deventer kwam ik tot mijn verbijstering terecht in een colonne woedende Go Ahead Eagles-supporters die protesteerden tegen een afgelaste wedstrijd. Bij de ingang van Het Tuinfeest trof ik tot overmaat van ramp een stoet poëzieliefhebbers. Ik had genoeg van alle rijen, stoeten en optochten.

Toen ik zelf moest optreden, en mensen moest teleurstellen dat ik Pieter Boskma niet was, realiseerde ik me dat ik er als een mislukte Pieter Boskma stond, als Maria Barnas en als dichter met allerlei gelegenheids-ikken. We vormden een deerniswekkend stoetje op het podium. Deze stoet realiseerde zich dat het gebaar met de denkbeeldige prop van Hesselink raak was. Je bent zoveel ikken als je verdragen kunt.