‘Ik bouw niet meer aan kathedralen’

Wie het werk van P.F. (Frans) Thomése overziet, van zijn verhalenbundel Zuidland (1990) tot het essayistische Nergensman (2008), kan vaststellen dat hij al achttien jaar lang, in elegante, droge formuleringen, een slag om de arm houdt. Zijn personages hebben vage contouren, of het nu gaat om de historische figuren uit Zuidland, de apathische jongeman uit Heldenjaren (1994), de op seks beluste communicatiestrateeg uit Vladiwostok! (2007) of de vader die zich in Schaduwkind (2003) afvraagt hoe het verder moet nu zijn dochtertje is gestorven. Voor Zuidland ontving hij in 1991 de AKO-literatuurprijs. Die prijs heeft hij te danken, vertelt hij, aan het interview dat hij vlak daarvoor had in NRC Handelsblad. Daarom is hij graag opnieuw bereid tot een gesprek, in Haarlem, waar hij woont met zijn vrouw en twee zoontjes van 4 en 2.

Schrijver Pieter Frans THOMESE (1958). foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Haarlem, 3 juli 2008 Mentzel, Vincent

Hoe kan een interview een prijs opleveren?

„Van juryvoorzitter Frits Bolkestein hoorde ik na de uitreiking dat ze mij die prijs eerst niet wilden geven, omdat ze dachten dat ze mij dat niet konden aandoen. Dat zou niet goed zijn voor mijn ontwikkeling. Maar toen ze het interview lazen, werden de onderhandelingen heropend. Ze kregen de indruk dat ik een verstandige jongen was, die het wel zou weten te relativeren. Geen erg literaire argumenten natuurlijk.”

Maar was u er bij nader inzien wel zo blij mee?

„Ik ben een schrijver die niet graag in de openbaarheid is. Door zo’n prijs ben je ineens op een heel banale manier openbaar. Daar was ik toen kennelijk niet op voorbereid. Het lijkt mooi dat een beginnend schrijver wordt bekroond, maar je werk krijgt niet de aandacht, het draait om je persoon. Eigenlijk wordt je werk onzichtbaar achter de persoon. In die zin vond ik die bekroning een belediging voor de veelzijdigheid van het boek. Het werd versmald tot iets wat succes oplevert, terwijl voor mijn gevoel dat succes vanzelf spreekt. Je wilt iets uitzonderlijks doen en je laat niet graag aan anderen over om daarvan de waarde te bepalen. Een prijs verplicht je tot een zekere deemoed. Je wordt geacht het hoofd dankbaar te buigen.”

In ‘De narcistische samenzwering’, een van de beschouwingen in ‘Nergensman’, spreekt u uw ergernis uit over de macht van het getal en over het succesvolle massaboek dat volgens een bepaald format geschreven zou zijn. Tegen wie of wat richt u zich hier?

„Als je een boek schrijft, dan is ongeveer de eerste vraag die wordt gesteld of het goed verkoopt. Ik ben niet tegen commercie, maar als ik rijk had willen worden, was ik wel iets anders gaan doen. Iets waarbij voor mezelf minder op het spel had gestaan. Bij het schrijven stel je iets in de waagschaal en dat doe je omdat je het belangrijk vindt. Het is bovendien nooit te voorspellen of een boek gaat lopen. Je kunt wel zeggen dat jonge vrouwen het goed doen, of allochtone jongens, maar als je ze op een rij zet, dan mislukken ze allemaal. Ook als ze iets interessants hebben meegemaakt, of iets heel ergs, dan gaat het ook meestal mis. Succes is iets uitzonderlijks. Dat valt niet te kopiëren. In die zin zijn al die commerciële strategieën onzin. In de literatuur gaat het om uitzonderlijkheid.”

Hebt u met uw roman ‘Vladiwostok!’ niet toch een poging gedaan om een groter publiek te bereiken?

„Het tempo ligt hoog. Het is geestig. Het is brutaal en grof. Het leest, kortom, lekker weg. Maar het is ook dubbelzinnig en daar houdt het grote publiek niet van. Je kunt mensen woedend maken met iets wat ze niet begrijpen. Veel schrijvers zijn bang om voor elitair te worden versleten. Die willen het publiek niet bij voorbaat bruuskeren door het ze te moeilijk te maken. Ik betrap mij tijdens het schrijven juist wel eens op de gedachte dat ik het grote peloton nu wel heb gelost. Je schrijft, als het erop aankomt, voor goede verstaanders en gelijkgestemden.”

Wat hebt u die goede verstaanders te bieden?

„Het gaat mij erom dat zich iets opent voor de lezer. Een dubbele opdracht: hij moet doorlezen én verrast opkijken. De taal is daarbij altijd een vervoermiddel, geen doel op zich. Het gaat om de effectiviteit van de woorden. Als je twee woorden achter elkaar zet, verschiet het eerste woord van kleur. Als je te veel woorden gebruikt, wordt het bruin, zal ik maar zeggen. Ik hou van die Hollandse school van Nescio en Alberts en Elsschot, met hun zuinige, zakelijke taalgebruik. Tot de uitblinkers van die school hoort voor mij Gerrit Krol. Als ik weer eens een bladzij van hem lees, van zijn vroege werk vooral, sta ik opnieuw versteld van de scherpe formuleringen. Dat komt ook door die gekke stelligheid van hem, waardoor het altijd bedoeld of onbedoeld komisch is. Het is van een achteloze brille. Als ik een zin schrijf, dan denk ik vaak aan Krol.”

Waar gaat het u uiteindelijk om als u zo’n zin opschrijft?

„Het gaat mij om het geluksgevoel dat ik krijg als ik iets precies goed formuleer. Pas daarna denk ik aan eventuele lezers. Ik heb geen stadion voor ogen als ik schrijf. Iedereen is welkom, daar niet van, maar ik ben er niet op uit om een heel stadion vol lezers te krijgen. Al verbaast het me ook niet als het stadion vol zit.”

Het stadion zat vol bij ‘Schaduwkind’. Heeft dat u verrast?

„Ja, want dat boek was echt met de rug naar de deur geschreven. Toen ik het schreef, wist ik niet of ik het wel zou durven publiceren. En ik had dus zeker niet het idee dat het een bestseller zou worden. Het schreef zich vanzelf, alsof ik door een onzichtbare hand werd geleid, om het wat mystiek te zeggen. Het is zonder effectbejag geschreven, zodat de vele herdrukken iets onverklaarbaars hebben voor mij. Als ik het kunstje kende, deed ik het nog een keer.”

Het thema, kinderdood, zal veel lezers hebben aangesproken.

„Ik heb iets onder woorden gebracht wat voor mijzelf ook nieuw was. Een verlangen naar ontroostbaarheid, zoals Patricia de Martelaere dat al eens noemde. Zij ontleende dat aan de studie van Freud over rouw. Als iemand een geliefd persoon verliest, dan wil hij die blijven missen. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat daarmee, in de dopaminesfeer, het neurologisch systeem wordt beloond. Het levert een prettig gevoel op om je te wentelen in rouw of zelfbeklag. Het heeft iets verslavends om een bodemloos verdriet te ervaren.”

‘Schaduwkind’ is dus te beschouwen als dope?

„Ja. Bijna iedereen kent het gevoel wel. Als er iemand dood gaat in je naaste omgeving, ervaar je naast verdriet ook een gevoel van geluk. Eindelijk is-ie van jou! Toen mijn vader doodging, was ik verdrietig en geschokt. Maar er was ook een strijd beslecht. Hij was nu van mij en ik kon met hem doen wat ik wilde zonder ervoor bestraft of afgewezen te worden. Met een kind ligt het weer iets anders. Een kind is altijd bezig weg te gaan. Als het kind dood is, zeker als het nog zo jong is, blijft het voor altijd bij je. Het is heel erg taboe om zoiets te zeggen, maar het is natuurlijk wel zo. Met Schaduwkind heb ik overgebracht dat het verlies van een kind niet alleen iets afgrondelijks is, maar ook een onbegrijpelijk geluksgevoel teweeg kan brengen.”

Een citaat uit ‘Schaduwkind’: ‘Ik ontkende de dood, maar nu ben ik er thuis. Ik weet straks waar ik moet zijn: ik was er al.’ Is die vertrouwdheid er nog steeds?

„Dat gevoel is er nog steeds. Het is een intensere vorm van leven. Sinds mijn dochtertje is overleden, ben ik niet meer depressief geweest. Daarvoor was ik dat graag en vaak. Meestal koppelde ik aan het voltooien van een boek een flinke depressie. Ik schrijf nu sneller, met kortere intervallen. Een depressie is niets anders dan verveling. Je vindt nergens meer aardigheid in. Als je door de dood bent heengegaan, heb je voor zulk gezanik geen tijd meer. Je bent veel te blij dat je nog leeft. Dat wordt versterkt door mijn leeftijd. De dood nestelt zich in je eigen generatie. Het is minder vanzelfsprekend dat je er bent. Vroeger lette ik nooit op het weer, om maar eens iets te noemen. Dan liep ik in de zomer rustig in een winterjas. Nu ben ik veel gevoeliger voor het moment. Dat heeft ook te maken met het hebben van jonge kinderen. Het moderne vaderschap is heel lichamelijk. Je bent in de weer met luiers en met kinderopvangsores. Mijn eigen vader was meer een pijproker.”

In ‘Nergensman’ lees ik dat het schrijven voor u ooit is begonnen met ‘een besef van ongeschiktheid’. Is er iets veranderd in de loop van achttien jaar? Hebt u een ander beeld gekregen van uzelf als schrijver?

„Ik ben op zeker moment losgekomen van de literatuurgeschiedenis en van mijn historisch besef in het algemeen. Dat voelt als een bevrijding. Ik wilde altijd een gildebroeder zijn, meeblazen in een orkest, een monnik die zijn steentje bijdraagt aan het collectief. Een onpersoonlijk ideaal. Vooral sinds Schaduwkind ben ik op drift geraakt en ben ik meer losse boeken gaan schrijven. Ik bouw niet meer aan een middeleeuwse kathedraal. Inmiddels fantaseer ik ook niet meer over mezelf als tijdgenoot van Flaubert of Sartre, of als renaissancedichter, maar ben ik gewoon iemand geworden die een boek aan het maken is, waar dagelijks op gezette tijden aan verder wordt gewerkt. En dat boek kan dan bijvoorbeeld gaan over country- en westernmuziek – een onderwerp waarvan de experts tot dusverre aannamen dat het geen literaire verhalen op zou leveren. Van zulke overwegingen heb ik, sinds ik bij uitgeverij Contact zit, geen last meer.”

Waarom bent u overgestapt van Querido naar Contact?

„Querido is een gerenommeerde uitgeverij die boeken uitgeeft die stuk voor stuk zo op de verplichte leeslijst kunnen. Dat had voor mij op den duur iets te museaals. Bovendien: hoe gerenommeerder de uitgeverij, hoe meer goeie schrijvers, hoe meer de aandacht moet worden verdeeld. Je kunt beter bij een kleinere uitgeverij zitten, waar ze wat meer tijd voor je hebben en waar je meer te zeggen hebt over omslag en typografie. Het is verfrissend om van uitgever te wisselen. Ik heb trouwens mijn eigen beeld van de literatuur ook moeten bijstellen.”

Wat is er veranderd?

„Toen ik begon te publiceren, in 1990, was literatuur nog iets bijzonders. Ik durfde in die begintijd niet eens te zeggen dat ik schrijver was. Dat klonk hovaardig, alsof het een soort adellijke titel was, die je pas na vele generaties kon verwerven. Nu is iedereen schrijver. Iedere idioot die met zijn kop op de tv verschijnt, is er ook nog schrijver bij in de vakantie. Ik geloof niet dat het erg is, maar het schrijverschap heeft geen bijzondere status meer.”

Dit is het zesde deel van een reeks interviews met prominente Nederlandse schrijvers. Voor gesprekken met Charlotte Mutsaers, Charles den Tex, Joost Zwagerman, Joke van Leeuwen en Kader Abdolah zie nrcboeken.nl

    • Janet Luis