Hoe Uncle Sam Ali Baba ontdekte

De contacten tussen Verenigde Staten en het Midden-Oosten gaan meer dan tweehonderd jaar terug. Ze waren vanaf het begin beslissend voor de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Een diplomatieke ontvangst in een paleis aan de Bosporus, geaquarelleerd ca. 1790 door Louis-Nicolas de Lespinasse Uit ‘Christie’s Magazine’, juli 1998 Christie's Magazine

Michael B. Oren: Power, Faith, and Fantasy. America in the Middle East, 1776 to the Present. W.W. Norton & Company, 778 blz. € 33,–

In Europese studies over de geschiedenis van het Midden-Oosten wordt meestal niet meer dan zijdelings verwezen naar de rol van de Verenigde Staten. Er wordt weliswaar gesignaleerd dat president Woodrow Wilson na de Tweede Wereldoorlog de Britten en Fransen hinderlijk voor de voeten liep bij hun herindeling van het Midden-Oosten, met zijn pleidooi voor zelfbestuur, maar verder doen de VS pas na 1945 hun intrede, als de koloniale rijken ontmanteld worden.

Om dit beeld te corrigeren schreef Micheal B. Oren Power, Faith, and Fantasy. America in the Middle East, 1776 to the present, een lijvige studie waarin alle aspecten van de historische betrekkingen tussen de VS en het Midden-Oosten aan de orde komen. Uit het boek blijkt dat die betrekkingen veel verder teruggaan dan menigeen denkt. Oren suggereert bovendien dat het Midden-Oosten vanaf het begin een beslissende invloed heeft gehad op de Amerikaanse buitenlandse politiek.

De Amerikaanse bemoeienis met het Midden-Oosten gaat terug tot de 18de eeuw, toen een prille, maar voor de Amerikanen niet onbelangrijke handel met het Ottomaanse Rijk werd bedreigd door overvallen van de Barbarijse zeerovers op hun schepen voor de Noord-Afrikaanse kust. Volgens Oren bespoedigde deze bedreiging de vorming van een Amerikaanse vloot in 1798 en werden de Amerikanen voor het eerst met een dilemma geconfronteerd dat het beleid sindsdien zou beheersen: waren hun belangen in het Midden-Oosten groot genoeg om militaire interventie te rechtvaardigen en in hoeverre moest gehoor worden gegeven aan de morele missie die de VS zichzelf toedichtten? Uiteindelijk leidde een combinatie van troepenlandingen, gespierde diplomatie en vlootbeschietingen tot de eliminatie van de zeeroversnesten, waarbij, in Orens versie, de slappe Britten niet meer dan een bijrol vervulden.

Vanaf het eind van de 18de eeuw begonnen Amerikanen naar het Midden-Oosten te trekken als avonturier of zendeling. Volgens Oren hadden de VS vanaf hun ontstaan een sterke band met het Heilige Land, vooral binnen streng-christelijke gemeenschappen die streefden naar een terugkeer van de Joden naar Palestina. Dit streven, dat aanvankelijk weinig weerklank vond bij de Amerikaanse Joden, was vooral bedoeld als voorbereiding op het Laatste Oordeel, dat volgens deze christenen pas kon plaatsvinden na de terugkeer van de Joden naar Jeruzalem.

Het gevolg was een bonte stoet van evangelisten en godsdienstfanaten die kolonies stichtten in Palestina, die er vaak op waren gericht onwillige Joden de beginselen van de landbouw bij te brengen. Een positief gevolg was de oprichting van een aantal scholen in Palestina, Egypte en Libanon, waaruit later het vermaarde Syrian Protestant College in Beiroet ontstond.

Onder de reizigers naar het Midden-Oosten bevonden zich gerenommeerde schrijvers als Herman Melville en Mark Twain, die bijdroegen aan een Amerikaanse vorm van cultureel oriëntalisme, dat later vorm kreeg in de cinema, met films als The Sheik of Araby en Ali Baba and the Forty Thieves. Het is vooral het sprookjesachtige exotisme dat bij de Amerikanen in de smaak viel en dat ondanks steeds intensievere contacten het ontstaan van een realistisch beeld van de Arabische wereld bemoeilijkte.

Orens beschrijving van de Amerikaanse relaties met het Midden-Oosten zijn vooral interessant tot aan de Tweede Wereldoorlog, omdat over die periode relatief weinig bekend is. Oren zegt zelf dat zijn overzicht van de periode na 1945 weinig toevoegt aan de bestaande studies en eerlijk gezegd had hij dit gedeelte beter achterwege kunnen laten. Het is een schematische opsomming geworden die niet altijd evenwichtig is.

Terwijl in het eerste deel steeds wordt geprobeerd aan te tonen hoe het idee van een Joodse terugkeer naar Palestina geworteld is in de Amerikaanse politiek en psyche, wordt in het tweede deel gesuggereerd dat de uiteindelijke aanvaarding van de stichting van Israël het gevolg was van de toevalligheid dat president Truman een Joodse schoolvriend had. Verder is daarna de verbondenheid met Israël blijkbaar zo vanzelfsprekend dat de betekenis van Israël voor de Amerikaanse relaties met de Arabische wereld nauwelijks aandacht krijgt.

De Palestijnen worden alleen als terroristen opgevoerd en de huidige president Bush krijgt van Oren een pluim omdat hij als eerste de ernst van het terrorismeprobleem heeft onderkend.

De blinde vlek wat betreft de betekenis van de stichting van Israël voor de Arabische wereld leidt tot een enigszins bizarre ontknoping, als Oren uiteindelijk verzucht dat hij niet begrijpt hoe het komt dat de Amerikanen met zo veel vijandigheid onder de Arabieren worden geconfronteerd, terwijl juist de VS hun onafhankelijkheid hebben gesteund en hun modern onderwijs hebben geschonken. Dit onbegrip is niet aan naïviteit te wijten, maar aan de weigering om de problematiek vanuit een ander dan het Amerikaans-Israëlische perspectief te bezien. Misschien geeft Oren daarmee ongewild aan waarin de tragiek ligt van de moeizame worsteling van de VS met het weerbarstige Midden-Oosten.