Het eksperimenteel proza van Sybren Polet begrijpen

Zo, Oude Rommelpot,

Als je weet dat je onherroepelijk op je smoel gaat, hoeft dit je niet ervan te weerhouden te vliegen. Ik vrees dat het bij jou de massa van je pruttelende knorrepot is die je niet eens toestaat om maar te fladderen. En ooit, Gerrit, ‘stroomde een keur/ van voortreffelijke sappen door je hachje.’

Hier – horkt! -, dit is voor jou vertaald:

Ik ving deze morgen morgens mignon, , van het konink- / rijk van het daglicht de kroonprins, door vlekochtend getrokken Valk, in zijn vlucht / Over de rollende laag onder hem vaste lucht, en zo schrijdend / Hoog daar, hoe kringde hij op de teugel van een wimpelende vleer / In zijn extase!

Ziedaar! Dat is de geest, mijn Gerrit. En verder gaat het:

Mijn verschuilende hart / Roerde zich voor een vogel, - de vervolmaaktheid, het meesterschap van het ding! / Wrede schoonheid en koenheid en daadkracht, oh, lucht, trots, pluim binden / Zich hier en ont-!

(Een povere, maar moedige poging om de dubbelzinnigheid van buckle weer te geven.) En hij gaat niet op zijn bek:

…en blauwbleke sintels, ah mijn dierbare, / Vallen, vergallen zich, en gutsen goud-vermiljoen.

De vlucht en ‘gebed’ van de windwanner eindigen in de vervoering en erotiek van bloedende wonden; het gedicht is opgedragen ‘Aan Christus Onze Heer’ – wouldn’t you know. Zo kan het dus ook. En wat dacht je hiervan:

Hij klampt de rots met kromme handen;

De zon nabij in eenzame landen,

Omringd door de azuren wereld, staat hij.

De rimpelige zee onder hem kruipt;

Hij tuurt vanaf zijn bergwallen,

En als een donderslag valt hij.

(Ik dacht nog aan ‘lege landen’ voor lonely lands, maar ik verkoos de eenzaamheid boven de alliteratie.) Wie, zoals de adelaar in dit gedicht, als een donderstoot of bliksemflits valt, valt niet werkelijk op zijn smoel. Vind je niet? En dat verlangen naar het slijk is slechts koketteren met bathos (dit is geen spelfout) en op zich al bathetisch, want het slijk zit al in ons. Ook ik heb onder een nenuphar gekeken: het verminderde de schoonheid er niet van.

En is een val, door verbrande vleugels of de aandacht trekkende zwaartekracht,- werkelijk niet dat moment van ‘altoos sneller vaart’ om ‘in eindlijke victorie, naar de vertoornde zon ’t kalmtartende aangezicht’ te keren de moeite waard? Anders blijven we in de werkplaats van de vleugelmaker spelen en de pluimpjes opvangen die de tocht her en der verblaast, onwetend van het gevaar (dit detail bij Ovidius is werkelijk hartverscheurend mooi).

En nu we het toch over vliegen hebben: ik heb de laatste tijd wat afgetript op dimethyltryptamine (n,n-dimethyltryptamine, om precies te zijn, maar DMT voor intimi) en hoewel ik het je zou willen aanraden, doe ik dit toch niet, omdat ik weet dat je angst het wint van je romantiek. Het is werkelijk een geweldig en krachtig middel; naast bepaalde planten zoals de mimosa en acacia, produceren wij mensen deze stof ook (bij schizofrenie lijkt de productie ervan bovenmatig). De trip duurt tussen de tien en vijftien minuten, maar is van een intense schoonheid. Na afloop lijkt het alsof je uit een goede slaap ontwaakt, tenminste, zo voelt het lichamelijk, hetgeen niet zo vreemd is, aangezien DMT naar alle waarschijnlijkheid ook een rol speelt in het proces van dromen. De smaak is onvergetelijk. Voor zover ik weet zijn er geen negatieve bijwerkingen. De bijsluiter vermeldt wel dat het middel je leven met vijftien jaar kan verkorten, je dromen intensiveren, verstand van tijd en ruimte verstoren, dyslexie en melaatsheid en impotentie veroorzaken, de huid doen zoetgeuren, gevoelens van liefde en mededogen versterken (oeps!) en ook – en dit is heel weird – : het eksperimenteel proza van Sybren Polet doen begrijpen.

Ik vermeld dit maar vast opdat Ome Gerrit zich geen zorgen zal maken (gaat Hafid een keer niet naar een bepaald café, zit hij thuis te klooien) en mocht je dat wel doen, dan zal mijn volgende brief een donderstraal en een vuistslag zijn. Wat ik wil zeggen: tussen vliegen en op je smoel gaan, is er de mogelijkheid tot landen.

Doe je best,

Hafid