Gered door een kind

De sociale ellende uit Fietsendieven (1948) is pittoresk geworden. Maar de film blijft aanspreken, dat gaat nooit voorbij.

Enzo Staiola als de zoon en Lamberto Maggiorani als de vader in ‘Fietsendieven’ Ladri di bicicletta FOTO: Europalia Europalia

Sommige films zijn zo legendarisch dat ze stolden tot één beeld. Je ziet zo’n foto en je weet iets, ook als je de film in kwestie alleen maar kent van horen zeggen.Een wezen met een uitgestoken wijsvinger? E.T. Een blondine in een fontein? La dolce vita. Een eenling in smoking, met hamsterwangen en een smalle snor? The Godfather. De bijna-kus van een glimharige man (links) en een even glimharige vrouw (rechts)? Gejaagd door de Wind.

Kijk: een man in een sjofel pak en een verfomfaaide kleine jongen. Op een stoeprand.

Fietsendieven. Een film uit 1948 die zestig jaar later nog altijd hoort tot de tien beste films die de wereld kent. De beste vijf. De beste drie?

Zo niet bij de première, in Rome. Het publiek vroeg zijn geld terug. Dat was toch geen film, dit verhaal vol arme mensen? Dat was de ellende waar het zelf elke dag tegenop liep.

Korte tijd later werd Fietsendieven omhelsd door de rest van de wereld, om te beginnen in Parijs. Daar sloot de oude meester René Clair na afloop van de eerste vertoning zijn Italiaanse collega Vittorio de Sica in de armen om hem te feliciteren. En om zijn tranen te verbergen, denk ik stiekem.

Want hij hakt erin, Fietsendieven . Wie een beetje gevoelig is, houdt het niet droog.

Daar is om te beginnen de kleine jongen. Zonder veel omhaal gespeeld door de toen zevenjarige Enzo Staiola, met het ernstige gezichtje dat sommige jongens van nature hebben. Trots op zijn vader, zorgzaam en onafgebroken in de weer om alles heel erg goed te doen. Fiets zoeken, er netjes uitzien. Fiets zoeken, op vader passen. Fiets zoeken, groot zijn. En hij is nog zo klein. Het jong vertedert, maar vals sentiment wekt hij niet. De Sica zette hem niet als schattigheidsmachine in, hij liet hem in zijn waarde.

Net zo’n gouden greep was de keuze voor de fabrieksarbeider Lamberto Maggiorani in de hoofdrol. Ook hij raakt ieders hart (tenzij het van steen is) als de overduidelijk al heel lang werkloze man die toch niks bijzonders nastreeft, gewoon, een redelijk leven voor zijn jonge gezin. Zijn verloren blik is nooit meer geëvenaard.

Hij speelt het personage alsof alles wat er gebeurt hemzelf daadwerkelijk overkomt. Zijn naam wordt omgeroepen: „Ricci! Ricci!!”. Er is een baan voor hem, maar hij hoort het aanvankelijk niet eens, moedeloos zit hij in het stof. Heb je een fiets, wordt hem gevraagd, zonder fiets geen baan.

Zijn antwoord vat samen wat armoede is: „Die heb ik en die heb ik niet”. Zijn fiets is bij de lommerd.

Wat heeft hij nog wel? Zijn vrouw weet het: hun beddegoed. Driftig trekt ze de lakens, getuigen van hun huwelijksgeluk, van hun bed om de fiets terug te kopen. Het linnengoed van de Ricci’s wordt beleend. Om de lakens op te bergen klautert de pandjesbaas als een kakkerlak omhoog langs een metershoge stelling, overvol met linnen. Al die lakens, suggereert dat beeld, kennen allemaal de liefde van nabij. Al die liefde werd beleend, omdat het niet anders kon. Zo wanhopig is het gesteld met Romes onderklasse.

De vrouw werd gespeeld door iemand die nog maar 21 was en ook al geen professionele actrice. Een kleine rol vol prachtige momenten, zoals de verliefde blik voor haar man, als ze even stoeien in de keuken, opgetogen omdat hun kansen zich keren.

De Sica was een groots regisseur,

zo goed dat hij het zich kon veroorloven om te werken met amateurs. Acteren met behoud van je eigen naturel is hondsmoeilijk. Probeer het maar, het is een ramp. Maar deze drie zetten hun personages levensecht neer. En ook al bleven ze zo ‘gewoon’ als het maar kan, De Sica verschafte ze glamour, niet als filmsterren, maar met behoud van eenvoud. Ze zijn aantrekkelijk, interessant, meeslepend.

Ook de stad Rome lukte het om gefilmd te worden alsof De Sica’s camera daar toevallig eventjes rondkeek. De voorbijgangers, nog niet gewend aan camera’s, reageren niet of kijken nieuwsgierig in de lens. De acteurs lopen er door de straten, als er een bijna wordt aangereden hoef je er niet van uit te gaan dat dat geënsceneerd is. Overal kijkt De Sica met zijn camera rond, meermalen vult hij Rome aan met een mooi, vaak grappig, detail. Op de tweedehandsfietsenmarkt hangt het tuig rond, maar ook, op de achtergrond, een bellenblazende jongeman. Onder het afdak waar voor de regen wordt geschuild kwettert een stel Duits sprekende seminariestudenten (een van de figuranten, ik weet niet welke, zou Sergio Leone zijn, de latere spaghettiwesterncineast). In een bordeel hebben de meiden pauze en eten samen. In een kerk doen rijke dames en hun gemelijke zoons aan liefdadigheid. De Sica zet ze voor gek, maar hij neemt ook waar hoe dakloze mannen door vrijwillige kappers geschoren worden, en zo’n detail ontroert. Rome krijgt al met al het air van een zigeunerkoningin: wuft en gesjochten – een onweerstaanbare combinatie.

Goed, de fiets is terug,

er is een baan, er is toekomst. Even.

Weg is de fiets. De man gaat op zoek, hij doorkruist Rome, samen met zijn kleine jongen die hem als een schaduw volgt en De Sica is weer de schaduw van hen beiden. Het ongelofelijke gebeurt, ze treffen de dief, maar wat hebben ze eraan? Het is net zo’n sloeber als zij, nee, erger, hij leeft met een moeder en een zus op één kamer in een achterbuurt. En de fiets? Weg. Verpatst.

Wat nu? Wat nu, in ’s hemelsnaam?

Intussen is iedere seconde duidelijk dat wat wij zien iets anders is dan De Sica maakte.

Wij bekijken in Fietsendieven hoe het was.

De Sica laat zien hoe het ís.

Wat voor ons aankomt als nostalgisch en schilderachtig, is voor hem een realiteit die hij niet wilde tolereren. Hij zette actuele personages neer. Voor ons zijn ze historische figuren. Ze dwalen door een wereld die niet meer bestaat, in een specifieke tijd op een specifieke plaats: kort na de Tweede Wereldoorlog in een Italië dat getraumatiseerd was door verkeerde keuzes. Het juichte Mussolini toe, haalde Hitler binnen als held, voegde zich gewillig naar beider hatelijke ideeën en zag zich vervolgens onderworpen aan een verschroeiend nazibewind. Verward, gepijnigd en stukgeschoten bleef het land achter na de bevrijding door de oude vijanden, de Amerikanen.

Niet dat er in Fietsendieven iemand ook maar één woord aan dat verleden vuilmaakt. Heeft geen zin. Dit zijn de mensen die geen andere keuze hebben dan zich te onderwerpen aan de stormen die de wereldgeschiedenis over hen heen laat razen.

De sociale ellende heeft inmiddels een ander gezicht. Ongeplaveide straten zijn er zelfs aan de rand van Rome niet meer. En hoewel in die schrale buitenwijken de was ook nu nog eeuwig uit de ramen van afgeragde flatgebouwen hangt, staan er geen huisvrouwen meer met emmers in de rij voor de collectieve kraan, buiten in het puin.

En toch spreekt de film aan, dat gaat niet voorbij.

Het verhaal van Fietsendieven

is klein. Een werkloze man kan eindelijk aan de slag op voorwaarde dat hij een fiets bezit. Direct bij zijn eerste klus wordt zijn fiets gestolen. De rest van de film wordt besteed aan de zondag dat de man, samen met zijn zoontje, de fiets zoekt. Rome is enorm en Rome is wreed. De fiets komt niet terug. Wijd opent de uitzichtloosheid zijn kaken.

Het verhaal van Fietsendieven is groot. Een man is aan het einde van alles en hij weet werkelijk niet meer hoe het verder moet met zijn leven. Hij steelt. Hij vindt dat hij moet stelen, het lijkt de enige uitweg uit zijn ellende. Maar het lukt hem niet, hij wordt meteen gepakt. Hij is geen dief, hij is iets anders. Iets onspectaculairs, en toch is het belangrijker dan al het andere. Hij is een vader. Dat inzicht verschaft deze film zijn happy end.

Het verhaal van Fietsendieven overstijgt wat groot is en wat klein. Het vertelt van een wonder. Om een wonder ten volle te beseffen moet je eerst door diepe dalen. Dus krijgt een man iets aangereikt wat hem meteen wordt afgepakt: er is een baan, er is een fiets; er is geen fiets meer, de toekomst is duister. Hij toont zich moedig, maar het Lot stelt hem op de proef. Sluipenderwijs zet het hem aan tot wangedrag. Eerst zit hij in zijn jacht op de fietsendief een weerloze ouwe man op zijn huid. Als dat op niks uitloopt geeft hij uit frustratie zijn zoontje een klap. Nu wordt hij gewaarschuwd met het eerste wonder: het zoontje loopt verontwaardigd weg en even lijkt het of hij verdronken is, wat leidt tot totale paniek bij de vader. Stop! Daar staat zijn kind. Bovenaan een eindeloze reeks witte traptreden, scherp afgetekend tegen de wolkenlucht. Het is of de hemel hem zelf heeft gered en teruggestuurd.

Trekt de man de juiste conclusie? Het lijkt zo. Hij spendeert zijn laatste geld om zijn kind iets te laten meemaken wat hij nog niet kent. Ze gaan in een restaurantje eten, hebben lak aan die deftige familie die de neus voor hen ophaalt en genieten, de kleine, die duidelijk alleen een lepel gewend is, van een echte mes en vork, de vader van zijn kind.

Dit had het slot van de film kunnen zijn, maar nee, de man laakt het wonder dat hem werd geschonken. Zijn euforie slaat om in nihilisme en eigenlijk zien we hem hier, aan tafel, al veranderen in een dief, alleen weten we nog niet wat we zien.

Ze bezoeken een helderziende, in een broeierige scène in een overvolle slaapkamer waar een rijtje troostelozen smacht naar een gunstig visioen van een trage matrone. Ze komen buiten en hé, precies wat die vrouw voorspelde: daar schuift me die dief langs de gevel. Het verraderlijke mirakel leidt de val van de man in. Allengs schrapt De Sica alle andere mensen uit zijn voor de rest steevast overvolle beelden, tot de man helemaal alleen is met zijn slagschaduw. Hij steelt een fiets en gaat er vandoor.

Hij wordt akelig snel gepakt en vernederd door een menigte die hem inslikt en weer uitkotst. Niemand lust hem meer, zelfs aangifte bij de politie is hij niet waard. Zijn redding komt van zijn kind. Het duikt op in het gewoel, het blijft bij hem, het lijdt met hem mee. De jongen verlaat hem niet, ook al beseft hij dat zijn vader moreel uitgleed en ook al is hij ontdaan omdat hij heeft gezien hoe zijn vader mishandeld werd.

De jongen pakt zijn hand en kijkt op. Zíjn vader. Samen drogen ze hun tranen. Samen verdwijnen ze tussen de mensen.

Samen met zijn zoon is de man niet alleen. Als vader kan hij opgaan in de menigte, als vader wordt hij weer een deel van het geheel. Het geluk van het vaderschap is zijn redding.

Een wonder.

En ik zit alweer te janken.