Een slaaf gaat gemiddeld drie jaar mee

Sinds 2005 werkt Joep van Lieshout aan SlaveCity, een futuristische groene stad die op uiterst rationele wijze bijdraagt aan de strijd tegen de overbevolking op aarde. „Als we allemaal blijven fokken en consumeren, gaat het ook fout.”

CallCenter Units: ‘Model Sanitary Unit’ ,‘Model Work Sleep Unit’ en ‘Model Shower Unit’, 2006. Om de slaven te herbergen ontwierp Van Lieshout eenvoudige constructies van staal en hout waarin per unit 72 personen passen. Deze slaven werken, slapen, eten en douchen in ploegendiensten, zodat de ruimte maximaal wordt benut. In SlaveCity worden alle slaven volledig hergebruikt. foto’s Atelier Van Lieshout Atelier Lieshout

Op het eerste gezicht ziet de plattegrond van SlaveCity er best idyllisch uit. Rond een meertje dat qua vorm opvallend veel op een spermacel lijkt, liggen diverse modern vormgegeven gebouwen. Er is een woonwijk met vijf verschillende soorten villa’s die, naar Amerikaans model, aan organisch uitwaaierende weggetjes gebouwd zijn. Een ziekenhuis, een museum, een sportcentrum en een theater liggen op loopafstand van elkaar. Zelfs bordeelbezoek behoort tot de mogelijkheden.

SlaveCity is het nieuwste project – of beter: Gesamtkunstwerk – van Atelier Van Lieshout (AVL), het Rotterdamse kunstbedrijf van beeldhouwer Joep van Lieshout (1963). Het is een tot in detail uitgewerkt voorstel voor een stad met zo’n tweehonderdduizend inwoners, die geheel zelfvoorzienend is als het gaat om voedsel en energie, en waar al het afval wordt hergebruikt. De eerste plannen voor SlaveCity maakte Van Lieshout in 2005. Sindsdien kwamen op diverse tentoonstellingen steeds verder uitgewerkte maquettes, schetsen en prototypes voor gebouwen naar buiten. Zoals onlangs nog in Museum Folkwang in Essen, waar een indrukwekkend overzicht te zien was van alle facetten van SlaveCity.

Wie de plattegronden en vooral de Excel-tabel van het businessplan bestudeert, ontdekt echter al snel dat SlaveCity op zijn zachtst gezegd ook een duistere kant heeft. Zo zijn er opvallend veel checkpoints langs de wegen ingetekend. En onder het kopje ‘opbrengst per hectare’ staat, heel luguber, tussen de hoeveelheden aardappelen, mais en spruitjes ook het aantal kilo’s mensenvlees per persoon (35) vermeld.

SlaveCity blijkt niets minder dan een superefficiënt, hedendaags concentratiekamp te zijn, waar de zogenaamde ‘deelnemers’ onvrijwillig te werk gesteld of hergebruikt worden. De dagindeling van deze slaven bestaat uit zeven uur slaap, zeven uur werk in een callcenter, zeven uur werk op het land en drie uur eten en ontspannen. Iedere deelnemer krijgt dagelijks 2281 calorieën te eten en drie liter water te drinken. De effectiviteit van de deelnemers wordt nauwkeurig in de gaten gehouden. Als deze onder een zekere optimale waarde komt, wordt de slaaf gerecycled en zijn bruikbare organen (gemiddeld 2,6) getransplanteerd. Dit gebeurt na gemiddeld drie jaar. Om het aantal deelnemers op 200.000 te houden, moeten iedere dag 913 nieuwe mensen worden aangevoerd.

Volgens Van Lieshouts berekeningen is slechts 49,37 vierkante kilometer nodig om de stad te huisvesten, wat betekent dat er ook binnen Nederland plaats zou zijn voor SlaveCity. Er zal zo’n 770 miljoen euro geïnvesteerd moeten worden in infrastructuur en beveiliging, maar dat geld is snel terugverdiend. De jaarlijkse nettowinst van SlaveCity is naar verwachting 7,5 miljard euro. Dit wordt verdiend met het callcenterwerk, maar vooral ook met de verkoop van bloed (200 euro per liter) en het transplanteren van organen (20.000 euro per behandeling). Groot bijkomend voordeel is dat SlaveCity een belangrijke bijdrage levert aan het reduceren van de overbevolking op aarde.

„Ik ben geen fascist hoor”,

verzekert Joep van Lieshout aan het begin van ons gesprek. „Een nouveau-communist, zo zou ik mezelf graag noemen. SlaveCity is bedoeld als een waarschuwing, het laat een mogelijk toekomstscenario zien. Ik ben niet graag belerend. Maar ik denk dat we op dit moment met onze wereld op het punt zijn dat het wachten is op de druppel die de emmer doet overlopen. Je hoeft geen wetenschapper of visionair te zijn om te zien dat bevolkingsgroei, consumptiegroei en energieverbruik volledig uit de hand lopen.”

We zitten op het dakterras van Van Lieshouts eigen woon- en werkruimte in het Rotterdamse havengebied. De werkplaats van Atelier Van Lieshout, waar zo’n twintig werknemers nieuwe ontwerpen uitvoeren, ligt op een steenworp afstand.

De kunstenaar legt een moot vis op de barbecue en zegt dan: „Je moet je voorstellen dat je een volkstuintje hebt van vierhonderd vierkante meter, waar je met een gezin van vier goed van kan eten. Maar dan opeens komen er veertig mensen bij. De eerste tijd kun je het nog wel uitzingen, door meer te planten, goed te bemesten en door genetische manipulatie.

„De technologie werkt wat dat betreft met ons mee; het is mogelijk om alles steeds maar beter en efficiënter te maken. Maar daardoor ontstaat er ook een veel fragieler evenwicht. Er zijn geen uitwijkmogelijkheden meer. Als het fout gaat, gaat het ook echt heel erg mis.”

Zijn werk is de laatste jaren zwartgalliger geworden, geeft hij toe. „Maar de gevolgen van onze levensstijl zijn ook heel zwartgallig. De wereld wordt steeds harder, er zal steeds meer geselecteerd worden.

„Neem de discussie over de embryoselectie, waar houdt zo’n ontwikkeling op? Over vijftig jaar zeggen we: doe mij er maar zo eentje. Verzekeringsmaatschappijen zullen zeggen: ‘Mag ik u eerst even scannen? Nee, we kunnen u geen verzekering aanbieden, want we denken dat u over een jaar kanker zult krijgen.’

„Binnen vijftig jaar zal er een hele sciencefiction-achtige samenleving ontstaan. Om dat tegen te gaan, zal er waarschijnlijk een flinke uitroeiing moeten plaatsvinden.”

Het is even wennen: de kunstenaar

die ooit zijn eigen vrijstaat AVL-Ville oprichtte en daar hippie-achtige idealen propageerde, ontwerpt nu steden waar nazipraktijken aan de orde van de dag zijn. Dat lijkt een grote stap. Toch hebben beide projecten volgens Van Lieshout veel met elkaar gemeen. „In al mijn werken draait het om tegenstellingen: tussen goed en slecht, mooi en lelijk, realistisch en surreëel, rationeel en irrationeel. AVL-Ville ging over vrijheid en over de afwezigheid van moraliteit. Daar gaat SlaveCity ook over, alleen wordt vrijheid hier uitgelegd als een vorm van anarcho-kapitalisme: pakken wat je pakken kan. SlaveCity is ontdaan van iedere ideologie, het gaat er puur om bruikbaarheid. Het werk is heel rationeel, heel onmenselijk. Maar tegelijkertijd gebeuren er ook veel goede dingen: al het voedsel is biologisch, er is groene energie en heel veel cultuur.”

AVL-Ville, dat in april 2001 opengesteld werd voor het publiek, was een serieuze poging om volledig autarkisch te kunnen leven. Op het braakliggende terrein naast de AVL-werkplaats bevonden zich onder meer een energiecentrale, een drankstokerij, composttoiletten, een wapenwerkplaats en een restaurant. De werknemers van Atelier Van Lieshout konden er hun eigen woning bouwen – het materiaal werd beschikbaar gesteld door het atelier. Maar door de plaatselijke autoriteiten werd de vrijplaats vanaf dag één met argusogen gadegeslagen. Politie, brandweer en milieudiensten kwamen om de haverklap langs om te kijken of er iets te verbieden viel. Uiteindelijk moest Van Lieshout in november 2001 de handdoek in de ring gooien. Zijn autarkische sprookje had slechts negen maanden geduurd.

Nog altijd klinkt Van Lieshout verontwaardigd als hij over de sluiting van zijn vrijstaat spreekt. „AVL-Ville was tegelijk een hoogtepunt en een teleurstelling”, zegt hij. „Het was een samenballing van het werk dat ik daarvoor gemaakt had – werk dat ging over wonen, eten, zelfvoorzienendheid. Ik dacht dat het me wel zou lukken om die slome ambtenaren met een kluitje het riet in te sturen.

Maar het was natuurlijk net de verkeerde tijd, met de opkomst van Pim Fortuyn. Ik stak zeer ver boven het maaiveld uit, en trad ook nog eens flirtend met mijn vrijstaat naar buiten. Daar ben ik keihard op afgerekend.”

Veel mensen zagen AVL-Ville als een kunstproject, maar voor Van Lieshout was het meer dan dat. „Als je mij op dat moment naar mijn motieven gevraagd had, dan had ik gezegd: dit is mijn visie, mijn utopie. Of beter: een realistisch plan dat we gaan uitvoeren. AVL-Ville is geen mislukking geweest. Maar er is wel een aantal dingen anders uitgepakt dan ik had gedacht. Mijn idee was om een soort fabrieksdorp te bouwen – het soort filantropische nederzetting dat eind negentiende, begin twintigste eeuw door fabrieksdirecteuren werd gebouwd voor het personeel. Maar veel van de AVL-medewerkers vonden dat een te riskant plan. Uiteindelijk hebben ze gelijk gekregen. Want stel dat ze daar een huis hadden gebouwd, zonder regels en vergunningen, dan hadden ze het na een jaar alweer kunnen afbreken.”

Na al het „geneuzel” met gemeente, pers en advocaten besloot Van Lieshout zich in 2002 weer op zijn individuele kunstenaarschap te richten. „Ik had geen zin meer in die rol van burgemeester. Toen AVL-Ville stopte dacht ik: nu ga ik weer lekker in mijn eentje asociale kunst maken.”

Van Lieshout begon aan een serie

kunstwerken die, achteraf beschouwd, als de opmaat voor SlaveCity hebben gediend. In Sportopia (2002) bijvoorbeeld werden faciliteiten voor sport, seks en ontspanning met elkaar gecombineerd in een constructie die uit steigermateriaal was opgetrokken. De bovenste verdieping herbergde een langgerekt bed voor 36 mensen, beneden hingen katrollen en takels die zowel voor gewichtheffen als SM-praktijken konden dienen.

De Disciplinator (2003), een kooi van steigerbouw met houten units waarin sanitair en lange eettafels stonden, begon al meer op een gevangenis te lijken. Hierin konden 72 participanten permanent aan het werk gehouden worden zonder dat ze hun cel hoefden te verlaten. Ook De Technocraat (2004) was superfunctioneel. Hierin reduceerde Van Lieshout de mens tot louter grondstof, door hem te koppelen aan een gesloten systeem van voedsel, alcohol, uitwerpselen en energie. Met biogas uit de ontlasting werd eten gekookt en alcohol gedestilleerd – nodig om de slachtoffers tevreden te houden. Dat eten werd vervolgens weer teruggepompt in de lichamen van de menselijke leveranciers.

De vormgeving van al deze kunstwerken was steeds rudimentair, spartaans, een beetje padvinderachtig. Steigerpijpen, stapelbedden, ruwhouten vloeren en – typisch Van Lieshout – wc’s van polyester vormden de belangrijkste bouwstenen. Diezelfde kale esthetiek vinden we ook terug in SlaveCity, bijvoorbeeld in de houten hutjes die als bordelen dienen en die als losse modules aan elkaar gekoppeld kunnen worden, al naar gelang het aantal hoeren dat er werkt.

Rustiek modernisme, zo noemt Van Lieshout deze bouwstijl zelf, naar de stroming die begin twintigste eeuw een functionalistische bouwkunst nastreefde. „Voor die bordelen heb ik me laten inspireren door de architectuur van Bauhaus. Dat was een heel progressieve beweging, met idealistische ideeën over een nieuwe samenleving. Maar tegelijkertijd heeft zij gefaald. Kijk maar naar de typisch Oost-Duitse Plattenbau en de Bijlmermeer die er het resultaat van zijn. Met het modernistische, systematische bouwen kon je heel goedkoop huizen neerzetten, maar het werden altijd een soort konijnenhokken. En naast slechte arbeiderswoningen heeft het modernisme vooral geleid tot veel gelikte bedrijfstorens. Wat mij interesseert, is de relatie met de architectuur van concentratiekampen. Die zijn feitelijk ook op een heel modernistische manier ingericht: met een duidelijke scheiding van functies.”

Ter voorbereiding van SlaveCity bezocht de kunstenaar talloze concentratiekampen en verdiepte hij zich in de economische achtergronden van het Derde Rijk. Van Lieshout: „De nazi’s waren op een hele rationele, economische manier bezig hun ideale samenleving te maken. Maar echt efficiënt waren ze niet. Als ze de slavenarbeid wat beter hadden aangepakt, de mensen meer te eten hadden gegeven en hun capaciteiten beter hadden benut, dan hadden ze de oorlog kunnen winnen. Dat ze dat niet gedaan hebben, vind ik dus een beetje dom. Ze hadden de miljoenen mensen die ze hebben omgebracht toch ook op het land of in de wapenindustrie kunnen laten werken?

„Ik heb me in die nazipraktijken verdiept omdat het allemaal niet zo ver van ons bed is. We hebben het over een groep mensen die zeventig jaar geleden, dus nog vrij recentelijk, op honderd kilometer van hier leefde in eenzelfde soort cultuur. De nazi’s waren geen rare stam, maar Germanen, net als wij. Dus wat toen gebeurde, kan weer gebeuren en zal waarschijnlijk ook weer gebeuren. Als we allemaal blijven fokken en consumeren, gaat het ook fout.”

Het zijn dit soort uitspraken die van Joep van Lieshout nog altijd een omstreden kunstenaar maken. Want meent hij nu wat hij zegt? Is SlaveCity pure ironie, een grove provocatie of toch een serieus voorstel? „Dat zul je niet te weten komen”, zegt hij dan, met een smalend lachje. „Ik hou er wel van om mensen op het verkeerde been te zetten. Zo worden ze tenminste geprikkeld om zelf ideeën te vormen. Mijn werk kent echte voorstanders en echte tegenstanders. Er zijn maar heel weinig mensen die er geen mening over hebben. Dat vind ik persoonlijk wel prettig.”

Delen van SlaveCity zijn t/m 22 augustus te zien in Albion Gallery, 8 Hester Road, Londen. Inl: www.albion-gallery.com. Bij de tentoonstelling is de publicatie SlaveCity verschenen. Ook het Museum Folkwang in Essen publiceert binnenkort een boek over SlaveCity. Van 12 sept t/m 6 jan organiseert het Ludwig Forum in Aken een overzichtstentoonstelling van Atelier Van Lieshout, getiteld ‘Das Haus’. Andere solotentoonstelling vinden op dit moment plaats in Z33 in Hasselt en Beaumont Public in Luxemburg.

Voor meer informatie: www.ateliervanlieshout.com

    • Sandra Smallenburg