Cruciaal is de schiethouding

Vandaag beginnen in Peking de Olympische Spelen. Nrc.next-redacteuren meten zich in een serie met echte sporters. Zouden zij echt aan de Spelen in 2012 in Londen mee kunnen doen?

De Duitse Cornelia Pfohl, met ’t hoofd van Hanina Ajarai. Foto AP, bewerking fotodienst NRC De Duitse Cornelia Pfohl (zeven maanden zwanger) bij de Spelen in Athene, met het hoofd van redacteur Hanina Ajarai. Laatstgenoemde schoot slechts in de blauwe, buitenste cirkel. Foto AP, bewerking fotodienst NRC Germany's Conelia Pfohl, who is seven months pregnant, takes aim as she competes in the Olympic ranking round in Athens, Thursday Aug. 12, 2004. She scored 630 and was ranked 18th. (AP Photo/Richard Drew) Associated Press

„Handboogsport is als yoga. Je moet het lichaam ondergeschikt maken aan de wil.” De 72-jarige trainer Piet Blanker gelooft dat iedereen met aanleg een kans maakt om aan de top te komen.

Ik ben bij zijn handboogvereniging R.I.S. ’98 in Rotterdam, waar overal pijlen en bogen aan de muur hangen. „Stap één is voor de spiegel staan met een pijl en boog in je handen. Dit is om je houding te bekijken, heel belangrijk bij het boogschieten”, doceert hij.

De boog die ik in handen krijg, voelt zwaar aan. Het is een recurveboog (met gebogen uiteinden) en weegt 7,5 kilo. Nog niets vergeleken met de bogen die ze gebruiken op de Olympische Spelen, die rond de 20 kilo zijn.

Piet Blanker kan het weten, hij heeft als boogschutter meegedaan aan de Paralympics. „Ik was oorspronkelijk turner. Maar op het Nederlands Kampioenschap turnen in 1960 brak ik mijn nek. Tijdens mijn revalidatie ben ik eerst begonnen aan rolstoelbasketbal en tafeltennis, voordat ik terecht kwam bij de handboogsport.”

Ik probeer het tienstappenplan dat naast de spiegel hangt in praktijk te brengen. Tot stap vier gaat het goed. De voetenstand, de vingerplaatsing en het plaatsen van mijn booghand gaan makkelijk. Maar dan moet ik mijn boogarm strekken en mijn elleboog draaien in een stand die hij niet gewend is.

De rest van de training zal Blanker regelmatig roepen: „Elleboog draaien!” Volgens mijn trainer moeten alle stappen een vloeiende beweging worden en moet het lossen van de pijl maximaal drie seconden duren. „Anders pleeg je roofbouw op je eigen lichaam. Ja, wat denk je, in een wedstrijd heb je 140 pijlen te schieten met een boog van 20 kilo!”

Topsporters trainen niet voor de spiegel maar met camera’s. Om te zien of ze de juiste houding hebben. Ook hebben ze een mental coach ter beschikking om de concentratie te trainen.

Hoe anders was dat destijds voor de nu 60-jarige Tiny Reniers die voor Nederland uitkwam op de Olympische Spelen. De oud-schutter werd vijfde op de Spelen in 1988 in Seoul. „De begeleiding was toen amateuristisch, ik heb veel zelf uit moeten zoeken.”

Nu is hij touringcarchauffeur en schiet alleen als hij zin heeft. Op mijn vraag aan Reniers wat ik allemaal moet hebben om ook de vijfde plek te veroveren zegt hij: „Je moet aanleg hebben en minimaal zes uur per dag trainen. En natuurlijk een sponsor zoeken, want de spullen kosten wat. Je moet trainen op techniek, lichaamshouding en concentratie. Ga in het donker schieten, dan voel je je spieren beter.”

Mooi, ik hoor niets over conditietraining. Het klopt dus dat boogschieten een van de makkelijker sporten is. Reniers verbetert me. „Je hebt wel degelijk een goede conditie nodig en een lagere hartslag dan normaal. De kunst is om op de maat van je hartslag te schieten, net tussen de kloppen in. Als je je goed concentreert, lukt dat. En wat voor mij heel erg hielp, is visualiseren. Ik keek naar mezelf als ik goed gespeeld had, ik hield dat beeld vast en riep het op vlak voordat ik schoot. En countrymuziek hielp mij te ontspannen tussen de wedstrijden door.”

Trainer Blanker laat een blazoen (de schietschijf) plaatsen en ik mag mijn eerste pijlen afschieten. Mijn wil opleggen aan mijn lichaam blijkt erg moeilijk. Op het moment dat de trainer ‘los’ roept en ik dus de pijl moet lossen kan ik mijn vingers niet bewegen. Als het dan een paar seconden later toch lukt, kom ik niet eens in de buurt van de buitenste cirkel. Twee uur training later (en gelukkig geen druppel zweet verder) zijn mijn pijlen nog altijd te ver uit elkaar om te kunnen spreken van een goede score. Hij ziet de wanhoop in mijn ogen en stelt mij gerust. „Ach joh, ik heb jongetjes gehad die na een les huilend de vereniging uitrenden.”