Zo’n degen vasthouden is wel erg stoer. En garde!

Morgen beginnen de Olympische Spelen in Peking.

nrc.next-redacteuren testen hun sporttalent. Kunnen ze – met wat training – meedoen aan de Spelen in 2012?

Redacteur Toon Beemsterboer met het lichaam van schermer Zarko Baban. Foto Bob van der Have, bewerking Fotodienst NRC Have, Bob van der

„Ga met je hele lichaam achter de kom van je degen staan. Gebruik hem als schild”, zegt de schermleraar Kasper Kardolus (71). Hij heeft makkelijk praten. Die kom is niet meer dan vijftien centimeter doorsnede. Ik voel me volkomen onbeschermd, als een schildpad zonder zijn schild. Na een paar snelle schijnbewegingen prikt de oude Kardolus met groot gemak door mijn verdediging en raakt hij met zijn degen mijn knie. Touché.

Het is vrijdagavond 1 augustus en ik krijg privéles schermen van maître Kasper Kardolus, de nestor van de Nederlandse schermsport. Hij is zelf meervoudig Nederlands kampioen en zijn schermschool in Zoetermeer domineerde vanaf de jaren tachtig tot het eind van de jaren negentig de ranglijsten. Als schermleraar heeft Kardolus meerdere pupillen klaargestoomd voor de Olympische Spelen.

Schermen is een edele sport die bol staat van de traditie. Frans is de voertaal in het schermen. Termen als ‘en garde’, ‘prêt’, ‘touché’ en ‘allez’ geven de sport zijn adellijke allure. Aan de muur van Kardolus’ schermzaal hangen afbeeldingen van ridders en musketiers. Dat was de tijd dat er nog duels op leven en dood werden uitgevochten. Kardolus: „Twee mannen kregen ruzie om een vrouw. De een daagde de ander uit voor een duel.” Dat ging er niet zachtzinnig aan toe. De sabel heeft nog een altijd een bloedgeul.

Nederland is geen echt schermland, vertelt Kardolus tijdens de les. „Ik heb wel successen geboekt in het buitenland, maar landen als Hongarije, Italië, Frankrijk, Polen en Rusland zijn vaak veel beter. Daar heeft de sport een veel langere traditie.” De eerste schermhandboeken werden gedrukt in Italië aan het begin van de Renaissance. Veel Italiaanse schermmeesters gaven toen les in Frankrijk. Kardolus: „In Hongarije is schermen een echte volkssport.”

De schermsport kent drie wapens: floret, sabel en degen. „Alle drie hebben ze eigen regels”, legt Kardolus uit. „Bij floret bestaat het trefvlak alleen uit de romp, bij sabel het hele bovenlichaam met uitzondering van de handen en bij degen kunnen op het hele lichaam punten worden gescoord.”

Bij sabel en floret is er bovendien sprake van ‘het recht op aanval’. Kardolus: „Dit houdt in dat als je wordt aangevallen, je eerst de aanval moet pareren voordat je een tegenaanval kunt inzetten. Bij degen is dit niet zo, daarbij verdedig je juist door een tegenaanval in te zetten. Schermen met floret en sabel is dan ook veel aanvallender, terwijl je met de degen veel voorzichtiger moet zijn en je tegenstander moet aftasten.”

Ik kies voor de degen. Kardolus legt me enkele weringen uit, manieren om de aanval van een tegenstander af te weren. „Schermen is een katachtige sierlijke sport, die draait om snelheid en reflexen. Dat is belangrijker dan kracht”, zegt hij. Het is vooral een kwestie van techniek. Hoewel de weringen er makkelijk uitzien, is het een kwestie van millimeters of ik hem goed uitvoer of niet. Dat wordt door Kardolus genadeloos afgestraft. „Het is een kwestie van veel oefenen. Elke dag een paar uur.”

Volgens Kardolus draait schermen vooral om gevoel. Om uit te leggen wat hij bedoelt, laat hij me zien hoe ik een sabel moet vasthouden: tussen duim en wijsvinger. „Ik vergelijk het met vioolspelen”, zegt hij. „De sabel moet via je wijsvinger en je duim een verlengstuk van je lichaam zijn. Je moet feilloos kunnen aanvoelen wat je tegenstander gaat doen. Daarom ben ik ook tegen krachttrainingen, die steeds meer gemeengoed worden in het schermen. Violisten doen toch ook niet aan krachttraining?”

Het aanvoelen van de tegenstander, alsof je leest wat zijn volgende beweging gaat zijn. Dat is erg belangrijk. Dat begint al tijdens wedstrijd waarbij je speelt in een de poule van zes spelers. Kardolus: „Terwijl je zit te wachten en je tegenstanders tegen elkaar schermen, moet je geconcentreerd kijken wat hun zwakke plekken zijn. Heeft hij een afwijking? Laat hij bepaalde plekken telkens onbeschermd? Daar kun je je voordeel mee doen als je zelf aan de beurt bent.”

Ik kan mijn tegenstanders nog lang niet lezen. Ik mag blij zijn als ik een wering correct uitvoer. Maar het is wel stoer om zo’n degen vast te houden. En garde!

    • Toon Beemsterboer