Wij zijn veel properder

nrc.next-redacteuren nemen de bus, trein, tram of metro. En stappen uit bij een eindhalte ergens in Nederland.

Vandaag: op bezoek bij Mien en Fien in Brabant.

Dus dit is een woonwagenkamp. Voor het eerst in mijn leven betreed ik er een. Een scherpe chloorlucht slaat me tegemoet zodra ik het hek van het kamp bereik. Gek dat zo’n doordringende lucht me niet een paar stappen eerder bereikte, alsof de geur exclusief voor het woonwagenkamp is.

Een half uurtje eerder, om twee uur ‘s middags, was ik nog op zoek naar het kamp, dat verscholen blijkt te liggen tussen snelweg en bomen. Ik besloot navraag te doen in een winkel voor rolgordijnen, lamellen en luxaflex. De winkelier probeerde uit te leggen hoe ik er kon komen, zuchtte toen hij erachter kwam dat ik lopend was en besloot mij er zelf heen te brengen. Geen seconde twijfel, hij pakte zijn sleutel, sloot de winkel af en vroeg me zijn auto in te stappen.

Ik loop het kamp binnen en zie niets bijzonders. Dit zijn toch ook gewoon huizen? Veel ramen zijn dicht met rolluiken, dat wel. Iets wat ik alleen kende van de huizen in Nador, mijn geboorteplek in Marokko.

Op het terras van de derde standplaats zitten Mien en Fien, moeder en dochter, een pilsje te drinken. Ik mag erbij komen zitten, als ik tenminste geen bezwaar heb tegen het flesje bier. De chloorlucht blijkt door Fien Geerlings (54) verspreid te zijn. Ze heeft net haar terras, de eerste woonwagen vanaf het hek, met een hogedrukreiniger en chloor geprobeerd schoon te maken. Schoon is het nu wel, maar die geur. Haar spijkerbroek zit onder de chloorspikkels en de lucht die om en in haar hangt probeert ze te verdrijven met veel, heel veel sigaretten.

Waarom zijn dit woonwagens en geen huizen? Fien Geerlings legt uit dat de huizen toch mobiel zijn, ook al zien ze er niet zo uit. „Ze hebben namelijk geen stalen fundering.” Zevenentwintig jaar geleden zijn ze op de Bakelsedijk in Helmond neergestreken nadat het grote woonwagenkamp in Deurne met 180 standplaatsen weg moest van de gemeente. „Wij wilden zelf ook weg hoor, alles was daar veel kleiner en meer op elkaar”, zegt Fien. En hoe verhuis je dan een heel huis? „Met een dieplader.” Dat is Mien Schaefer (75) die zich nu ook in het gesprek mengt. „De gemeente betaalde de kosten voor de verhuizing en we kregen plaatsen aangewezen in het nieuwe kamp.”

„Burgermensen zien soms de mooie, grote woonwagens en denken altijd dat we niets hoeven te betalen.” Het is een van de eerste vooroordelen van ‘burgermensen’ over woonwagenbewoners die Fien noemt tijdens ons gesprek. Er zullen er nog vele volgen. Maar hoe zit het dan wel met het financiële plaatje? Een gemiddelde woonwagen met een woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer kan 40.000 euro kosten. De kosten voor een verhuizing kunnen oplopen tot 10.000 euro. Een standplaats aan de Bakelsedijk kost 122 euro per maand en het gas, licht en water moeten ook betaald worden.

Fien en Mien hebben eigenlijk niet zoveel contact met burgermensen. Er is gewoon een cultuurverschil, legt Fien uit. „Een woonwagenbewoner is veel properder. Bij burgermensen kan alles. Die sjokken met schoenen aan hun huis in en uit, de hond er achteraan. Schoenen moeten bij ons bij de voordeur uit, en honden en katten in huis zijn uit den boze. Die moeten niet bij me in de buurt komen!”

Mijn ogen worden groot van verbazing. Maar wij Marokkanen zijn net zo! Ik vertel de vrouwen dat ze heel veel gemeen hebben met een andere gemarginaliseerde groep in Nederland. Ze reageren niet zo uitbundig als ik had gedacht. Wel krijg ik een glaasje cola aangeboden.

Er wonen wel enkele burgermensen in het kamp. Fien vertelt dat haar zoon met een burgervrouw getrouwd is en dat het geen taboe meer is. „Maar vroeger kon ik geen burgervrijer krijgen hoor. Die waren veel te bang van ons.” Mien plaatst haar dochters woorden over gemengde huwelijken in historisch perspectief. „Verderop woont ook een burgervrouw die al heel lang in het kamp woont”, vertelt Mien.

Die burgervrouw blijkt mevrouw Van Lierop (54) te heten en woont al sinds haar zestiende, toen ze trouwde, in een woonwagenkamp. Voor het huis staat een grote groene kooi met twee parkieten. Het zijn de parkieten van haar geestelijk gehandicapte zoon van tweeëndertig. Een naam hebben ze niet. Ze is net klaar met het schrobben van de terrasstenen. Het ziet eruit alsof je er soep vanaf kunt drinken, zou mijn moeder gezegd hebben. Haar man, die naar haar keek toen ze bezig was, loopt nu naar binnen.

„Het gaf veel problemen toen ik trouwde. Mijn ouders meenden dat we arm zouden zijn. Ze hadden een hekel aan mijn man.” Mevrouw Van Lierop moest zelf ook wennen. „In het begin was het vreemd. Het huis was zo klein, er was geen douche. Ik ging drie, vier keer in de week naar mijn moeder om te douchen. De was moest ik met de hand doen. Nu zou ik niet meer terugwillen.” 

Na de basisschool heeft ze drie jaar huishoudschool gedaan en in haar hele leven heeft ze niet langer dan een jaar gewerkt. Haar man krijgt een uitkering en haar zoon die met zijn gezin ook in het kamp woont, is nu op vakantie in Centerparcs. Ik verlaat haar want ze moet op tijd koken. Om vijf uur wordt er warm gegeten.

Wat ik niet zelf durfde te vragen, wordt mij gelukkig door Fien Geerlings aangeboden. Ik word uitgenodigd om een kijkje te nemen in haar woonwagen. We lopen langs een kralengordijn. Bij de voordeur ben ik even bezig met de sluiting van mijn schoenen.

„Daarom dragen wij altijd makkelijke slippers”, hoor ik Fien zeggen terwijl ze me voorgaat. De woonkamer met open keuken ziet er netjes uit. De keuken is al jaren oud maar dat is niet te zien. Er zijn bijna geen accessoires uitgestald, op een paar foto’s na. Te veel gedoe met de schoonmaak. Er is een grote slaapkamer maar ook een opslagkamer met zonnebank erin.

Als Fien mij de badkamer laat zien, excuseert ze zich voor de rommel. Ze doelt op twee kledingstukken die op de wasmachine liggen. De grote tv, vertelt ze, is niet op afbetaling gekocht. „Niet alleen de Marokkanen worden gediscrimineerd. Als ik iets koop dan moet ik vooraf betalen. En zelfs dan zijn ze huiverig om het te komen brengen.”

„Ik ben de hele dag aan het schoonmaken. Ik heb tot mijn elfde op kampschool gezeten en daar heb ik nog net leren lezen en schrijven. Niet dat mensen mij nu knollen voor citroenen kunnen verkopen. Ik heb daarna nog even gewerkt in een kippenfabriek, maar sinds ik getrouwd ben is het poetsen, poetsen, poetsen.” Als ik het kamp verlaat, gaat Fien weer aan de slag met de hogedrukspuit. Ze gaat proberen de chloorlucht weg te spuiten.

    • Hanina Ajarai