We kunnen goed met ze opschieten

Vlak voor de Olympische Spelen dreigen Tibetaanse monniken met zelfmoord.

De eis, vertrek van Chinese soldaten, is ingewilligd. De controles werden voortgezet.

De vijf olympische ringen in de grasvlaktes in de Chinese provincie Qinghai. Foto Xinhua News Agency/HH (080731) -- QINGHAI, July 31, 2008 (Xinhua) -- Photo taken on July 29, 2008 shows an Olympic Five-Ring logo consisting of cole flowers and sutra streamers on the Zhuo'er Mountains in Babao township of Qilian county, northwest China's Qinghai province. Local people plant cole and crop in the pattern of an Olympic Five-Ring logo to express their best wishes to the upcoming Beijing 2008 Olympic Games. (Xinhua/Wen Yiwei) (mcg/wcy) Xinhua News Agency / eyevine Contact eyevine for more information about using this image: T: +44 (0) 20 8709 8709 E: info@eyevine.com http://www.eyevine.com Photo: / Eyevine / Hollandse Hoogte. Xinhua News Agency;Hollandse Hoogte

De jonge Tibetaanse monnik Doulata blijkt praatgraag en openhartig.

„Er zijn altijd spanningen met de politie, omdat wij onze cultuur en onze religie willen verdedigen, terwijl zij ons leven willen controleren. Maar met gewone Chinezen kunnen we eigenlijk heel goed opschieten. Steeds meer Chinezen zijn geïnteresseerd in het Tibetaanse boeddhisme”, zegt de monnik aan het einde van een rondgang door Wutun Si.

Het klooster, in het groene laaggebergte met uitgestrekte grasvlaktes van de Chinese provincie Qinghai, is het centrum van de Tibetaanse schilderkunst. Na een maandenlange blokkade door de politie is het nu weer bereikbaar.

Fijnschilder Doulata werkt, met zicht op een uitgestrekt berglandschap, aan een nieuwe thangka, een soort banier die in boeddhistische tempels en in de lemen hutten van de Tibetaanse boeren hangt, maar die ook gewild is bij Chinese zakenlieden.

De Olympische Spelen lijken in de provincies Qinghai en Gansu, op 2.000 kilometer afstand van Shanghai en Peking, in de afgelopen jaren in plaats van meer vrijheid juist meer controles, afsluitingen en nieuwe beperkende regels te hebben opgeleverd. „Ooit zei men hier dat de Chinese keizer ver weg was en de hemel hoog, maar dat is niet meer zo sinds de stichting van de Volksrepubliek China”, weet Doulata en wijst naar de soldaten en agenten in burger die voor de ingang sigaretten roken in hun zwarte VW’s.

Tot een paar weken geleden kampeerden honderden Chinese soldaten zelfs op de pleinen, in de corridors en op de trappen van de veelkleurige tempels van Wutun Si. Veiligheidsmaatregelen in het kader van de Olympische Spelen, kregen de monniken te horen na de demonstraties van maart van dit jaar.

„Pas toen wij dreigden met collectieve zelfmoord in de week vlak voor de Olympische Spelen, vertrokken zij eindelijk”, vertelt de 33-jarige Doulata met een charmante glimlach en zwaait zijn bordeauxrode pij over zijn schouder. Het was geen dreigement, legt hij uit, maar de bekendmaking van een besluit van de dertien lama’s (leermeesters) en 117 overwegend jonge monniken. „Mediteren, studeren en schilderen was onmogelijk geworden door al die soldaten. Wij, zes miljoen Tibetanen, hebben geen andere wapens.”

Een collectieve zelfmoordactie in het artistieke centrum van het Tibetaanse boeddhisme zou de Olympische Spelen volkomen hebben overschaduwd. De Chinese autoriteiten moesten het dreigement van de monniken daarom wel serieus nemen en tijdens de lange gesprekken werd een fragiel bestand gesloten. De persoonscontroles werden weliswaar voortgezet, maar de Chinese eis dat de monniken ook de Chinese rode vlag zouden hijsen, werd ingetrokken.

Op hun beurt beloofden de monniken geen nieuwe demonstraties te organiseren en de ingelijste foto’s van de Dalai Lama uit het zicht te zetten. „Over dat laatste is niet iedereen in de gemeenschap het eens, maar de meesten van ons willen de Chinezen, die toch al zo gespannen zijn, niet provoceren”, legt Doulata uit.

De monniken hier hebben ook uit voorzorg hun mobiele telefoons weggegooid en hun internetabonnementen en digitale post opgezegd. „We werden toch voortdurend afgeluisterd en bespioneerd.”

Wutun Si en het even verderop gelegen Rongwu-klooster in het aan de Tibetaanse Autonome Regio – de officiële naam die Peking gebruikt – grenzende Qinghai zijn voor journalisten en toeristen weliswaar toegankelijk, maar voor journalisten zijn Lhasa en de opstandige kloosters van Sichuan (Aba, Ganze en Sedu) en Gansu (met het beroemde Labrangklooster) nog steeds verboden plaatsen. Pogingen van deze krant om in deze gebieden te komen, stuitten op bureaucratisch tegenwerking en fysieke versperringen van politie en leger.

De blokkade hangt samen met de pogingen van Tibetanen in India, Nepal, de Verenigde Staten en Engeland om tijdens de Spelen nieuwe demonstraties in Tibet en de Tibetaanse prefecturen in de aangrenzende provincies te organiseren. Doulata in Wutun Si: „We hebben er wel iets van gehoord, maar ik weet zeker dat het hier rustig zal blijven. Wij zijn ook niet voor onafhankelijkheid, maar voor religieuze vrijheid net als de Dalai Lama.” Een andere reden om heel rustig te blijven, is dat de leiding in Wutun Si delicate onderhandelingen voert over de vrijlating van twee sinds maart gedetineerde monniken.

Ook de lama’s in het uit 1351 daterende Rongwu-klooster zijn verwikkeld in gevoelige onderhandelingen met de Chinese autoriteiten over de vrijlating van 200 gedetineerde monniken, die sinds het oproer van maart in Lhasa vastzitten. De leiding van Rongwu Si weigert op een warme augustusdag daarom met de buitenlandse journalist te praten, want zij vreest voor de consequenties. Maar een bezoekende leermeester uit Sichuan heeft daar geen moeite mee.

Lama Laren Bovenqie, een zogeheten huofu, is de persoonlijke leermeester van mevrouw Wang Shanjue, directeur en medeoprichter van een IT-bedrijf bij Shanghai. Zij heeft zich bekeerd tot het Tibetaanse boeddhisme. Terwijl mevrouw Wang, een elegant, modieus geklede Han-Chinese, op hoge hakken de modderplassen voor de tempel probeert te ontwijken, vertelt de lama zonder enig aandringen over het oproer in Lhasa en de aan Tibet grenzende Chinese provincies.

„De hele wereld keek alleen naar wat er in Lhasa gebeurde, maar de opstand in Qinghai, Sichuan en Gansu was veel groter. Daar waren zeker 10.000 monniken bij betrokken, omdat zij veel last hebben van de Chinese controles, de regelzucht en vooral van de lastercampagne tegen de Dalai Lama’’, vertelt Laren Bovenqie.

Er zouden destijds in de Chinese provincies 21 Tibetaanse doden zijn gevallen. Maar zoals voortdurend het geval is, is dat als gevolg van gebrek aan Chinese openheid en de Tibetaans-Chinese propagandaoorlog, lastig te verifiëren. Intussen filmt Laren Bovenqie het bezoek van de rond trippelende mevrouw Wang, die als vrouw de tempel, waar honderden jonge monniken melksoep met noedels eten, niet in mag.

Over haar motieven voor haar bekering wil zij niet meer kwijt dan dat zij in het Tibetaanse boeddhisme rust heeft gevonden na een lange periode met „veel problemen”. Van de Chinese overheid zegt zij niets te vrezen: „Er is religieuze vrijheid in China.”

De lama voegt daaraan toe: „Steeds meer Chinese zakenlieden zijn geïnteresseerd in het Tibetaanse boeddhisme en in de Tibetaanse kunst.” Hoewel zij daar beiden niets over willen zeggen, is duidelijk dat mevrouw Wang de lama financieel steunt.

Vanuit de keuken van het klooster komt een jonge Tibetaan in spijkerbroek en zwart T-shirt met de tekst Leave It Or Love It nieuwsgierig naar ons toe. Als zijn mobieltje afgaat, wordt de stilte verbroken door Tibetaanse rock. De achttienjarige Yang Xianjia, die zich voorstelt met zijn Engelse naam Peter, heeft net samen met zijn broers, een neef en zijn vader, de maaltijd voor de monniken bereid. Dat doen gelovige leken bij toerbeurt, een eeuwenoude traditie.

Uiteraard heeft zijn vader, een welgestelde exporteur van kostbare Tibetaanse kruiden naar de grote steden aan de Chinese kust, waar 250 gram zo 950 euro kost, ook de rekening van de maaltijden betaald.

Yang is drietalig: Tibetaans, Mandarijn en een beetje Engels. Hij blijkt een van de twaalf Tibetanen in Qinghai te zijn die in september mogen gaan studeren aan de Etnische Minderheden Universiteit in Peking.

Het liefst zou hij medicijnen of Engels gaan studeren, maar tot deze studies worden Tibetanen en andere minderheden niet meteen toegelaten, zoals Tibetanen en minderheden ook geen hoge overheidsfuncties kunnen bekleden. Terwijl hij een kom licht gezouten melkthee aanreikt, vertelt Yang: „Ik moet beginnen met de studie etnische minderheidstalen, maar ik kan Engels en bedrijfseconomie als bijvakken nemen om daarna door te studeren. Ik ben heel blij dat ik naar Peking ga. Ik ben en blijft Tibetaan. Ik kniel en bid voor de Dalai Lama. Maar mijn, onze, toekomst ligt in China.”