Stad kan weinig tegen zwakke school

NieuwsanalyseRotterdam mag ouders waarschuwen dat hun kinderen op een zwakke school zitten. Maar adviseren een alternatief te zoeken is uit den boze.

Met de Wet op het lager onderwijs van 1806 werd het Nederlandse onderwijs „voorwerp van de aanhoudende zorg der regering”. Die zinsnede vormt nog steeds het eerste lid van artikel 23 van de Grondwet. Verwaarlozing van die taak komt de overheid te staan op reprimandes, zoals dit voorjaar van de commissie-Dijsselbloem.

Op gemeentelijk niveau is het precies andersom. Ook een onderwijswethouder heeft plichten, bijvoorbeeld het bestrijden van achterstanden. Maar een wethouder die zich de kwaliteit van het onderwijs op een school aantrekt, krijgt een tik op de vingers. Gisteren oordeelde de rechter dat wethouder Leonard Geluk (CDA) de ouders van kinderen van de islamitische middelbare school Ibn Ghaldoun niet had mogen adviseren een andere school te zoeken.

Waarom mag dat niet? Wat mag een gemeente dan wel doen om de onderwijskwaliteit te bewaken?

De Rotterdamse rechter die de zaak-Ibn Ghaldoun behandelde, heeft de gemeentelijke onderwijsbevoegdheden helder ontleed. De instantie die over kwaliteit waakt, zo begint zij, is de Inspectie van het Onderwijs. Die instantie valt onder de minister. Er bestaan geen wetten die het onderwijstoezicht delegeren aan gemeenten. De lokale overheid is dus niet bevoegd om in te grijpen in kwesties omtrent kwaliteit. Volgens de Tilburgse hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjes mag een gemeente het onderwijs uitsluitend betalen.

Het vervolg verrast. De gemeente mag dus niet ingrijpen in de onderwijskwaliteit, maar heeft Geluk eigenlijk wel ‘ingegrepen’? Nee, zegt de rechter, een brief sturen aan ouders is geen ingrijpen zoals alleen de inspectie dat zou kunnen. Het was Geluks goed recht die brief te versturen. Het onderwerp van de brief is bovendien van „hoogwaardig, maatschappelijk belang”.

Het argument van Ibn Ghaldoun (600 leerlingen) dat Geluk de school doelbewust zou willen schaden en onder de opheffingsnorm zou willen doen belanden, is volgens de rechter „onvoldoende onderbouwd”. Ook is het te „billijken” dat Geluk zich zorgen maakt over zwakke scholen in zijn stad. De reden dat hij de zaak niettemin heeft verloren, is dat het algemeen maatschappelijk belang botst met het belang van Ibn Ghaldoun om niet te worden „blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen”.

De meeste passages in Geluks brief vormen geen bezwaar. Zo komt de kwalificatie van ‘zeer zwakke school’ van de inspectie, niet van de wethouder. Twijfelachtig wordt het als Geluk zegt dat het bestuur van Ibn Ghaldoun onvoldoende doet om de kwaliteit te verbeteren. De school doet niet niets, zegt de rechter.

Vervolg Onderwijs: pagina 2

Alleen minister kan Geluk helpen in strijd tegen school

Onderwijs

Vervolg Onderwijs van pagina 1

De wethouder gaat pas echt over de schreef met de passage waarin hij ouders oproept een andere school te kiezen. Dit advies is volgens de rechter „disproportioneel”, niet van noodzakelijk maatschappelijk belang en bezorgt de school „(reputatie)schade”.

Daarbij weegt de rechter mee dat vier andere ‘zeer zwakke’ scholen in de gemeente geen soortgelijke brief hebben ontvangen. Geluk ziet in deze constatering een mogelijkheid om in hoger beroep alsnog zijn gelijk te halen, omdat er volgens hem wel degelijk juridisch onderscheid kan worden gemaakt tussen coöperatieve en onwillige schoolbesturen. De wethouder doet zorgvuldig zijn best het woord ‘prestigestrijd’ te vermijden, maar het is duidelijk dat de weigerachtige houding van het bestuur van de school hem ergert.

Het Rotterdamse vonnis begrenst de bevoegdheden van een wethouder. Die grens wordt bepaald door hetzelfde grondwetsartikel, nummer 23, dat de overheid verplicht de kwaliteit te bewaken. Want het artikel gaat óók over het recht van ouders op vrije schoolkeuze. „Het dient aan de ouders en verzorgers van leerlingen van de school Ibn Ghaldoun te zijn om op basis van eigen afwegingen tot dergelijke besluiten te komen”, aldus het vonnis.

Die constatering is interessant voor staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA). Zij hoopt in het najaar klaar te zijn met wetgeving om de overheid eerder te kunnen laten ingrijpen bij zwakke schoolbesturen. Dat is niet eenvoudig. Zo heeft de Raad van State een kritisch advies doen uitgaan over het wetsontwerp. De wetgever komt al snel in de knel met de vrije schoolkeuze.

Volgens hoogleraar Zoontjens moet de staatssecretaris te rade gaan bij de inspectie. Die hanteert heldere criteria om de kwaliteit van een school te meten. Daarmee zou het in de toekomst mogelijk worden om bestuurders van zwakke scholen te ontslaan.

In het parlement zullen vooral de ChristenUnie en de SGP, als vanouds, de vrijheid van onderwijs verdedigen. Maar een Kamermeerderheid steunt Van Bijsterveldt. Het is aan de Kamer om te beoordelen of een nieuwe wet conflicteert met de Grondwet. Strengere wetgeving is dus mogelijk.

Voor onderwijswethouders zal het niet veel uitmaken. Een nieuwe wet zal gemeenten waarschijnlijk niet ineens bombarderen tot medetoezichthouders op de onderwijskwaliteit. Geluk moet bij het ministerie aankloppen om zwak onderwijs aan Rotterdamse kinderen te bestrijden.

    • Derk Walters