Schooladvies aan ouders, dat mag niet

De Rotterdamse wethouder van onderwijs had ouders van leerlingen van een zwakke school niet mogen adviseren een andere school te kiezen.

Wat mag hij dan wel?

Een onderwijswethouder mag best de kwaliteit van de scholen in zijn gemeente in de gaten houden. Tot sommige ingrepen is hij zelfs verplicht, zoals het bestrijden van onderwijsachterstanden. Maar wat de Rotterdamse wethouder Leonard Geluk (Onderwijs, CDA) níét had mogen doen, is de ouders van leerlingen van de islamitische middelbare school Ibn Ghaldoun per brief adviseren een andere school te kiezen voor hun kind. Dat heeft de rechtbank in Rotterdam gisteren bepaald. Geluk moet de brief rectificeren.

Geluk zit nogal in zijn maag met Ibn Ghaldoun. De Inspectie van het Onderwijs merkt de school al enige jaren aan als ‘zeer zwak’. Sommige leraren zouden nauwelijks Nederlands spreken. Uit onderzoek van onderwijssocioloog Jaap Dronkers blijkt dat het verschil tussen de cijfers van het centraal schriftelijk examen en die van de schoolexamens nergens zo groot is als op deze school. Ook heeft de school gefraudeerd. Alles heeft de wethouder naar eigen zeggen in het werk gesteld om de kwaliteit op de school te verbeteren – gesprekken met het bestuur, met ouders, verbeteringstrajecten. Niets hielp.

Op zichzelf was Geluks brief niet onrechtmatig, zei de rechter gisteren. De wethouder ging alleen te ver. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt dat ouders de vrijheid hebben zelf een school te kiezen voor hun kind. „Het dient aan de ouders en verzorgers van leerlingen van de school Ibn Ghaldoun te zijn om op basis van eigen afwegingen tot dergelijke besluiten te komen”, aldus het vonnis.

Het bestuur van Ibn Ghaldoun heeft een mediastilte in acht genomen. Ook interim-manager Jan Beenen van de islamitische school wil niet reageren op de uitspraak, al zegt hij wel dat het inmiddels „beter” gaat op Ibn Ghaldoun. Advocaat Jan-Koen Sluijs van de school vindt het „positief dat de gemeente de brief moet rectificeren”, maar noemt de uitspraak „geen reden voor champagne”. Er moet nog veel op de school gebeuren, aldus Sluijs.

De Tilburgse hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens heeft „begrip” voor de poging van Geluk om iets te doen aan de situatie op Ibn Ghaldoun. Maar de uitspraak is volkomen logisch, zegt hij. „Geluk benadeelt de school en belemmert ouders in hun vrije schoolkeuze.”

Geluk ziet „kansen in hoger beroep”, zegt hij in een reactie. Hij noemt het „cruciaal” dat de rechter hem heeft gekapitteld omdat hij andere zeer zwakke scholen géén brief heeft gestuurd. Geluk: „Ik denk dat we juridisch kunnen aantonen dat er verschil zit tussen Ibn Ghaldoun en de andere betrokken besturen.”

De wethouder roept staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) op werk te maken van een nieuwe wet, die de overheid meer bevoegdheden moet geven om in te grijpen bij zwakke scholen. Nu is bijvoorbeeld de aanhoudend slechte kwaliteit van een school geen geldig argument een schoolbestuur te ontslaan.

Het nieuwe wetsvoorstel is kritisch ontvangen door de Raad van State, de belangrijkste adviserende instantie voor de wetgever. Vooral de relatie met artikel 23 ligt gevoelig. Hoogleraar Zoontjens denkt dat Van Bijsterveldt „precies moet gaan regelen wanneer de overheid mag optreden”.

De staatssecretaris kan volgens Zoontjens te rade gaan bij de inspectie. Deze toezichthoudende instantie heeft criteria vastgesteld om een school ‘zeer zwak’ te kunnen noemen. Zo scoort Ibn Ghaldoun zeer slecht op de kwaliteit van het onderwijzen en op de examencijfers van vmbo-leerlingen. Deze reeks criteria zou Van Bijsterveldt kunnen ‘lenen’ om in de nieuwe wet te omschrijven wanneer een ingreep van overheidswege gerechtvaardigd is.

Maar, zegt Zoontjens, uiteindelijk bepaalt het parlement of een nieuwe wet al dan niet in strijd is met de Grondwet. Een meerderheid in de Tweede Kamer vindt dat de overheid strenger moet kunnen optreden, ondanks bezwaren van de CU en SGP.

De uitspraak van gisteren „voert de druk op het wetgevingstraject op”, zegt Zoontjens. Maar Geluk hoeft niet te denken dat hij met de nieuwe wet de bevoegdheden krijgt die hij wenst. „Een gemeente mag nu eenmaal niet zo veel doen. Alleen de minister mag ingrijpen. Daaraan verandert vermoedelijk weinig.”