Pruimen van de jeugd

De ijskast staat helemaal vol. Pruimen. De allerlaatste zijn van de boom geschud, want er woont hier in huis iemand die de aanblik van pruimen aan de boom eigenlijk niet kan verdragen. Omdat hij weet dat ze er op een gegeven moment afvallen en dan krijgen ze beurse plekken en eten de wespen ze en worden ze onbruikbaar. Dat is verspilling. Zelfs aan de boom vindt verspilling plaats: pimpelmeesjes storten zich kirrend en juichend met hun kleine puntsnaveltjes op de pruimen. Maar dat is niet zo erg, een pruim met een pikgaatje mag nog best meedoen. De vraag is alleen: waaraan?

Ik neig van de weeromstuit naar een lukrake mengeling van luie argumenten: Gods water over Gods akker, als de pruimen willen vallen, dan moeten ze dat maar doen, laat die wespen ook wat hebben, aan een boom zo vol geladen, hoeveel pruimentaart kan een mens aan, is het erger om een paar pruimen te laten liggen dan buikloop te krijgen enz.

De tegenpartij heeft gewonnen, de wespen hebben een mager jaar gehad. We hebben al diverse pruimentaarten op, weggegeven, en per ongeluk vergeten. Eén pruimentaart is ingevroren voor de winter, wat weinig lijkt, maar een pruimentaart is geen echt handig ding in een diepvriesla. Of mijn diepvriesladen zijn geen echt handige dingen.

Een koelcel, dat zou wel wat zijn. In plaats van een buitenkeuken of een megabarbecue een klein vrieshuis in de tuin. Daar lees je niet zo veel over, maar ik voel nu ineens dat het potenties heeft, een energiezuinig koelhuis in de tuin, waarin we dan, als er straks niets meer in de winkels ligt wegens die energiecrisis van het Clingendael Instituut, de paar overgebleven pruimentaarten neerzetten, plus de tuinbonen die we zelf in de toekomst gaan telen, en alle andere bonen natuurlijk en plaatselijke lammeren en wat niet al. De voorvechters van lokaal geproduceerd voedsel gaan gouden tijden tegemoet.

Intussen blader ik driftig door Jane Grigsons Fruit book, omdat ik mijn drie standaard pruimentaarten nu wel even gezien heb. Er gaan steeds amandelen in, of amaretti, en dat is heel lekker, maar er moet toch ook iets mogelijk zijn met pruimen zónder amandelen. Ik ga nu een recept met cognac maken dat iemand opstuurde en ‘pruimenjaloezieën’. En Chinese pruimensaus? Je krijgt wel het idee dat iets Chinees maken het minste is dat je verplicht bent aan de olympische sfeer die door de wereld trekt.

Las in de bundel Deze poelen, deze geest van sinoloog Lloyd Haft, in de afdeling die hij heel Chinees ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’ noemde, het gedicht: ‘Op de middag na mijn pensionering geniet ik met vrienden in hun boomgaarde van hun eigen gemaakte kweeperenjam.’ Haft schrijft: „Niet dat wij ’s morgens/ in de hogere sporten/ geklommen, de levende/ takken omvademden/ maar dat wij dat nog/ weten, is zoet.” Zo moet je er tegenaan kijken natuurlijk: de pruimen die je ’s morgens plukte in je jeugd, doen je ’s avonds in de ouderdom aan de frisse morgen denken. Elke pruim is een herinnering, het plukken is het leven zelf.

Nu, vooruit. Leven! Pruimentaart maken. Opeten met vrienden.

En dan, om iets blijvends te hebben, een gedicht schrijven. „Op een zomeravond sprak ik met vrienden over de vergankelijkheid van pruimen en mensen.”