Met de bom konden VS hun gang gaan

Met kernwapens houden de VS kwaadwillende landen in bedwang, denken we.

Maar kernwapens hebben de wereld niet veiliger gemaakt, meent Rob Gallenkamp.

Op 6 en 9 augustus 1945 vielen de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Het land dat deze wapens inzette is sinds 2003 verwikkeld in een oorlog die het heeft gerechtvaardigd door de tegenstander ervan te beschuldigen massavernietigingswapens te bezitten. Het bezit van dergelijke wapens kan kennelijk een interventie uitlokken.

Moeten het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten daarom bevreesd zijn voor een invasie? Nee, mede door de omvang van hun kernwapenarsenaal hoeven ze daar niet bang voor te zijn. En ze hoeven mede door dat arsenaal ook niet bang te zijn voor repercussies als ze zelf landen als Irak en Afghanistan binnenvallen. Begrijpelijk dus, dat ze willen verhinderen dat Iran of Noord-Korea de vernietigingswapens ontwikkelen die zij zelf in ruime mate bezitten.

De inzet van atoombommen tegen Japan kreeg veel bijval. De bommen zorgden immers voor een snelle en onvoorwaardelijke overgave van Japan, en maakten daarmee een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Zo luidt althans de officiële, en nog steeds dominante, zienswijze. Eind jaren zestig kwam er een tegengeluid: de Amerikanen hadden het atoomwapen voornamelijk gebruikt om de Sovjet-Unie te imponeren, de Japanse overgave was bijzaak. Beide verklaringen leken elkaar uit te sluiten, en aanhangers van beide standpunten spanden zich in elkaar te verketteren.

Maar beide kampen bleken ongelijk te hebben toen het bronnenmateriaal uit 1945 openbaar werd. Auteurs die zich baseren op deze bronnen, noemen vier, ongeveer gelijkwaardige, motieven achter het gebruik van het atoomwapen. Ten eerste wilden de machthebbers concrete ‘resultaten’ om te voorkomen dat ze na de oorlog van geldverspilling zouden worden beschuldigd. Ten tweede wilden ze een snelle, maar onvoorwaardelijke overgave van Japan, mede om daarmee, het derde motief, de Sovjet-Unie buiten de oorlog tegen dit land te houden. En tenslotte wilden ze de hele wereld, en in het bijzonder de Sovjet-Unie, doordringen van hun militaire macht in de hoop daarmee politiek voordeel te behalen.

Welk voordeel? Om dit te beantwoorden dienen we terug te gaan naar de zomer van 1941, toen de regering van de Verenigde Staten besloot te streven naar een nieuwe naoorlogse wereldorde. Analyses van de Council on Foreign Relations hadden duidelijk gemaakt dat de Amerikaanse economie het meest gebaat is bij een vrije toegang tot markten en grondstoffen in een zo groot mogelijke invloedssfeer. Daarom wilde Washington zowel het Britse koloniale imperium als het door Duitsland en Japan beheerste gebied vervangen door één grote, door de Verenigde Staten gedomineerde invloedssfeer. Om dit te bereiken besefte het al in 1941 dat eerst de asmogendheden verslagen moesten worden.

Op de conferenties in Potsdam en Londen, van respectievelijk juli en september 1945, wilden de Verenigde Staten hun denkbeelden over de inrichting van de nieuwe naoorlogse wereldorde aan de andere deelnemers opleggen. Washington meende zich hierbij gesteund door de ‘gunstige’ resultaten van zijn nieuwe wapen bij zowel de test in de woestijn van Nieuw Mexico als later in het echt op Japan. Deze poging mislukte. Molotov, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie, liet zich in Londen in het geheel niet intimideren. Sterker nog, hij maakte zijn Amerikaanse tegenspeler Byrnes en het atoomwapen belachelijk en weigerde Amerikaanse bedrijven en banken de toegang tot Oost-Europa.

Na 1945 ontwikkelde zich de Pax Americana, een wereldorde onder Amerikaanse leiding, met als uitgangspunten democratie en een zo vrij mogelijke toegang tot markten en grondstoffen. De Amerikaanse militaire macht, ondersteund door het atoomwapen, diende hierbij de vrede te garanderen. Kort na de Japanse overgave noemde president Truman dit wapen zelfs de hoeder van de beschaving. En de Sovjet-Unie vormde in de Amerikaanse visie de voornaamste bedreiging van deze beschaving.

Die dreiging leek aanvankelijk in Europa te liggen, maar al snel besefte Washington dat zijn invloedssfeer in de derde wereld ernstiger gevaar liep. Dat gevaar kwam niet zo zeer van de Sovjet-Unie, maar van nationalistische of linkse verzetsbewegingen die streden tegen koloniale of pro-westerse regimes. De ‘Sovjetdreiging’ hield in dat Moskou zulke bewegingen vaak van wapens voorzag, met de kans dat zij de staatsmacht zouden veroveren. Vanaf het begin van de jaren zestig gingen de Verenigde Staten zich intensief met de derde wereld bemoeien. Bedreigde regimes konden rekenen op steun in de vorm van wapenleveranties, gecombineerd met opleidings- en trainingprogramma’s. Ruim 400.000 militairen uit een groot aantal ontwikkelingslanden zijn door de Verenigde Staten opgeleid. Dit werd aangevuld met actief militair optreden, zoals vlootmanoeuvres en directe of indirecte interventies. In de jaren zestig ondersteunde Washington zijn derdewereldbeleid ruim negentig maal met militaire middelen.

Ongetwijfeld levert het Amerikaanse kernwapenarsenaal een bijdrage aan de bescherming van het eigen land en Europa, maar in de praktijk ondersteunde het vooral het beleid ten aanzien van de derde wereld. Er zijn dertig voorvallen gedocumenteerd, waarbij Washington, meestal door manoeuvres of een verhoogde paraatheid van legeronderdelen met kernwapentaken, tegenstanders probeerde duidelijk te maken bereid te zijn kernwapens in te zetten.

Zo werd de Sovjet-Unie openlijk met kernwapens bedreigd bij de Suez-crisis in 1956, de Amerikaanse interventie in Libanon in 1958, de Cuba-crisis in 1962 en de Arabisch-Israëlische oorlog van 1973. Ook gebruikte Washington bedektere nucleaire dreigementen, onder andere tijdens de Korea-oorlog, en de crises in Jordanië in 1958 en in de Perzische Golf in 1980 en 1981.

Eenentwintig van de dertig voorvallen met kernwapens hadden betrekking op conflicten of crises in de derde wereld. Alle openlijke of bedekte dreigementen hadden de bedoeling de Sovjet-Unie, China of Noord-Vietnam, te dwingen zich bij crises of Amerikaanse interventies afzijdig te houden, of andere concessies te doen. Tot ongeveer 1970 waren nucleaire dreigementen geloofwaardig, daar Washington een zogeheten escalatiedominantie bezat, wat inhield dat het op elk niveau van een (nucleair) conflict de kracht van de Sovjet-Unie of andere tegenstanders kon overtreffen. Het ontstaan van een nucleair evenwicht rond 1970 maakte nucleaire dreigementen voortaan ongeloofwaardig, zodat de ‘bruikbaarheid’ van Washingtons kernwapens sterk verminderde.

Moskou trok hieruit de conclusie dat het zich actiever met de derde wereld kon inlaten. Het gevaar van escalatie was immers geringer. In dezelfde periode dat de Verenigde Staten zijn directe militaire betrokkenheid bij de ontwikkelingslanden verminderde, breidde de Sovjet-Unie deze juist uit. Het merendeel van de eenenveertig militaire operaties die Moskou tot 1980 in de derde wereld uitvoerde, vond pas in de jaren zeventig plaats.

Een reactie liet niet lang op zich wachten. Aan het eind van de periode Carter, rond 1980, begon Washington de bewapening op te voeren. Dit werd geïntensiveerd door Carters opvolger Reagan, wiens regering er openlijk voor uitkwam de escalatiedominantie te willen herstellen. Het indrukwekkende kernwapenprogramma ging gepaard met een nog indrukwekkender uitbreiding van de conventionele strijdkrachten, waarbij de nadruk lag op een aanzienlijke versterking van het interventievermogen, bedoeld voor optreden in de derde wereld.

De focus van het Amerikaanse beleid ligt tegenwoordig in het gebied rond de Perzische Golf. In deze regio zien de Verenigde Staten zich voor een tweeledige taak gesteld. Aan de ene kant groeit de antiwesterse, dit maal islamitische, oppositie in landen die al decennia onder Amerikaanse invloed staan.

Bij deze landen wil Washington helpen verhinderen dat deze oppositie de staatsmacht verovert, met als gevolg dat het land de westerse invloedssfeer verlaat.

Aan de andere kant wil Washington de twee landen die het recent met militair geweld in die invloedssfeer heeft opgenomen, Irak en Afghanistan, niet opnieuw verliezen.

De Amerikaanse reactie verschilt maar weinig met die van vroeger. Het is weer een combinatie van counter-insurgency (de methoden om opstandelingen te bestrijden), gecombineerd met politieke en militaire druk op landen als Iran en Syrië, vanwege hun steun aan antiwesterse bewegingen.

Washingtons kernwapenarsenaal speelt bij dit beleid opnieuw een voorname rol. De Amerikaanse vloot in de regio rond de Perzische Golf is uitgerust met kernwapens. En Washington heeft – verwijzend naar dit gebied – meermalen verklaard in geval van nood bereid te zijn tactische kernwapens in te zetten. De Amerikaanse eenheden in dit gebied functioneren als een soort schrikdraad: komen ze in gevaar, dan dreigt escalatie. Als deze dreiging een gevolg is, dan kan het ook een bewust na te streven doel zijn, redeneert Washington.

De verwachting is dat tegenstanders zich door die dreiging terughoudender zullen opstellen. Om de geloofwaardigheid van nucleaire escalatie te vergroten, wordt een rakettenschild ontwikkeld om aanvallen in een vroeg stadium te onderscheppen. Bedoeld tegen een Iraanse dreiging, beweert Washington, maar voor dit schild maakt het technisch gezien niet veel uit of er Iraanse of Russische raketten komen aanvliegen.

De Verenigde Staten beschouwen hun kernwapens als een onlosmakelijk onderdeel van hun buitenlandse beleid. Centraal in dit beleid staat de (dreigende) inzet van conventionele strijdkrachten, ondersteund door een nucleaire dreiging. Steeds gaat het om hetzelfde politieke doel: bescherming of uitbreiding van de Amerikaanse invloed. Dit is vanaf de eerste atoombommen op Japan het geval geweest.

Washington heeft dit na Japan voortgezet met openlijke of bedekte nucleaire dreigementen – meestal gecombineerd met grootschalige conventionele operaties – op het moment dat zijn invloedssfeer in het geding was. Met een geloofwaardige nucleaire dreiging heeft Washington de eigen speelruimte in de derde wereld geprobeerd te vergroten en die van zijn tegenstanders in te perken.

De atoombom heeft niet de eeuwige vrede gebracht. Europa leeft al decennia in relatieve vrede, maar het is moeilijk te bewijzen dat dit door het Amerikaanse kernwapenarsenaal is bewerkstelligd. Wel aantoonbaar is, dat dit arsenaal heeft gefunctioneerd als een paraplu waaronder Washington vrij kon interveniëren in ontwikkelingslanden. Dit heeft aanzienlijk meer slachtoffers gekost dan de doden als gevolg van de bommen op Hiroshima en Nagasaki. Miljoenen meer.

Rob Gallenkamp is politicoloog. Hij publiceerde eerder het boek ‘Waarom Washington Meer Wapens Wil’ (1988).

    • Rob Gallenkamp