Hondentroost

Als de mensen eindelijk slapen, nemen de feeën en elfen het over. In het vertrouwde decor speelt zich een gloednieuw toneelstuk af, met andere signalen, geluiden en circuits. Dromers en kinderen geloven erin. Als de mensen wakker worden, weten ze niet beter of de wereld is hun eigendom. Alleen de honden verstoren hun arrogantie. Soms houden de honden het gekwispel en de gehoorzaamheid voor gezien. Soms nemen de honden de wereld over.

Uren achtereen kan dat duren. Opeens slaat er één aan, in de verte antwoordt een ander, kilometers verderop voegt zich daar een derde bij en binnen de kortste keren is er een concert ontstaan van zwaar, hoog, snauwend of langgerekt geblaf en gehuil. Het koor van de krekels wordt naar de achtergrond gedrongen en zwijgt uiteindelijk, ontstemd.

Meestal gebeurt het ’s nachts. Vooral zomernachten zijn bevorderlijk voor het creëren van dit hondenuniversum, maar het kan ook zomaar in een winternacht opwellen. Of overdag, als de mensen even hun aandacht verliezen.

Morgen is het volle maan, blaffen ze in hondentaal. Dan komen we samen onder de kastanjeboom van de manke Leonardo en bijten we een schaap of twee, drie dood. Als de honden de wereld overnemen, zijn ze even heel wild en heel ongecontroleerd.

Hun conversatie zwelt aan en ebt weg, in onvoorspelbare golven. Je besefte niet dat er zo veel honden in de buurt rondzwierven.

Alle honden doen mee. Zij die aansluiting hebben gezocht bij de mensenwereld, met toegeeflijke poot en wang, en zij die dat hebben opgegeven of zich niets aan de mens gelegen laten liggen. De hofhond van de buurman doet mee, verzwijgend dat hij aan de ketting ligt, de honden van de schapenhoeders, uit de bergen neergedaald, doen mee en de echte bastaarden doen mee. Zwerfhonden met piekhaar, gele snorren en blikkerende tanden.

In de jaren dat ik in Trás-os-Montes woonde, deden ook de wolven mee. Ze waagden zich tot de rand van het dorp en speelden bedrieglijk voor hond.

Ook mijn eigen Sjako, zoals de brave sukkel van dienst heet, doet mee. Hij is nog niet helemaal zeker van zijn zaak, dus hij eet van twee walletjes tegelijk. Hij blaft in geheimtaal en houdt zich verscholen onder een struik.

Niet alleen de mens kent rangen en standen.

Je hebt wilde honden die afkomen op de met strychnine bepoederde kippenbouten van de boeren. Dagen daarna liggen hun kadavers nog in het gras. Je hebt zwervers die een tweebenige voederbak zonder veren weten in te palmen en zich vervolgens aanlopers mogen noemen. Onverwacht kan een hoogzwanger mormeltje voor je neus staan, met donkere ogen en een zware tros bloedzuigers in haar hals.

Soms springen honden zomaar de weg op. De chauffeurs remmen meestal niet af.

Bijna iedereen hier is bang voor honden. In Avô, in het dal beneden, werd pas nog een man gebeten. Door een onooglijk hondje, maar toch. Zie je wel. Vertrouwen kun je die dingen nooit. Een groep dorpelingen heeft het beest de ogen uitgestoken. En daarna de tanden afgezaagd.

Eigen schuld, dikke bult.

Af en toe een poos de wereld overnemen terwijl de mensen dutten, ’t is de enige hondentroost.

Gerrit Komrij