Chef de mission van verdeelde sportnatie

Opnieuw heeft de Belgische ploeg bij de Olympische Spelen een Rogge als chef de mission. Na twintig jaar heeft Philippe (38) de plaats van vader Jacques ingenomen.

Philippe Rogge Foto Czerwinski 06-08-08, Beijing China. Chef de Mission van Belgie, Philippe Rogge. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Vanzelfsprekend vroeg Philippe Rogge vader Jacques advies toen hem drie jaar geleden gevraagd werd chef de mission van de Belgische ploeg bij de Olympisch Spelen in Peking te worden. Het positieve antwoord was in feite overbodig, omdat de zoon van de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) voor zichzelf al had uitgemaakt dat hij in de voetsporen van zijn vader wilde treden. Nu leidt hij een ploeg van 96 sporters uit een verdeeld land.

Over de aard en inhoud van de functie hoefde Philippe Rogge eigenlijk evenmin advies, want aan de tijd dat zijn vader chef de mission was – in 1980 (Moskou) , 1984 (Los Angeles) en 1988 (Seoul) – heeft hij een redelijk beeld overgehouden. „Ik spreek met mijn vader zo weinig mogelijk over zijn werk. Uiteindelijk heb ik zelf de afweging gemaakt. Hoewel ik een drukke baan heb en een gezin met twee kleine kinderen wilde ik deze kans niet laten lopen, daarvoor zijn de Spelen te bijzonder.”

Het is een eervolle taak, vindt Rogge. Maar zijn besluit moet niet worden gezien als opmaat voor een functie bij het IOC, naar het voorbeeld van zijn vader. Een stap die hij trouwens niet uitsluit, maar voorlopig beperkt hij zijn ambities tot de Belgische grenzen. „Ik ben niet iemand die dergelijke plannen maakt. Als ik goed heb gefunctioneerd als delegatieleider en zowel de staf als de sporters straks vinden dat ik van toegevoegde waarde ben geweest, zal ik een hernieuwd verzoek overwegen. Maar voorlopig eindigt mijn horizon op 24 augustus, de slotdag van de Olympische Spelen.”

Zijn achternaam legt soms een hypotheek op zijn functioneren, ervaart Rogge. Maar hij klaagt niet, omdat de lusten en de lasten redelijk in evenwicht zijn. „Het voordeel is dat ik weet wat de Olympische Spelen inhouden, dat heb ik van jongs af aan meegekregen. Het nadeel is dat de media op mijn naam afkomen. Ik denk dat mijn Nederlandse collega Charles van Commenée minder vaak voor de Chinese televisie komt.”

Er is zelfs al drie keer een reportageploeg voor hem uit China naar België gekomen. „Allemaal leuk en aardig, maar ik probeer de perscontacten te beperken. Ik sta in eerste instantie ten dienste van de sporters.”

Die sporters komen uit een verscheurd land, over wie het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) alleen tijdens de Olympische Spelen wat heeft te vertellen. Vlaanderen en Wallonië zijn al sinds de jaren zeventig bevoegd voor sport, maar pas de laatste tien jaar hebben ze de topsport ontdekt. Het olympisch comité is veel macht ontnomen sinds de Vlaamse organisatie Bloso en het Waalse equivalent Adeps topsporters lucratieve contracten aanbieden. Nadat de Vlaamse Gemeenschap die weg was ingeslagen, vonden de Franstaligen dat zij niet konden achterblijven. Vlaanderen heeft de sportbegroting al opgevoerd tot negentien miljoen euro per jaar, tegenover elf miljoen aan Waalse zijde.

Het BOIC moet het met aanzienlijk minder geld doen: een slordige tweeënhalf miljoen euro aan loterij-inkomsten. Met dat geld is het olympische comité nauwelijks in staat een bureau in stand te houden.

Het gaat Rogge te ver het BOIC als een veredelde reisorganisatie voor olympische sporters aan te merken. Daarvoor vindt hij de betrokkenheid van het olympische comité bij de teamsporten voetbal en hockey, evenals de samenstelling van twee estafetteteams in Peking, nog te groot.

De chef de mission zegt: „We proberen een rol te spelen, maar politiek is het landschap de laatste jaren sterk veranderd. Het goede is dat de investeringen in sport niet eerder zo hoog zijn geweest, maar het is vooral belangrijk dat zaken goed op elkaar worden afgestemd om te vermijden dat de landsdelen afzonderlijk dubbele investeringen doen, bijvoorbeeld bij de aanstelling van coaches.”

De huidige politieke crisis in België werkt volgens Rogge niet door op de olympische ploeg. „Sporters zijn vooral met zichzelf bezig. Een voetballer vindt het van geen belang dat bijvoorbeeld de doelman uit een ander deel van het land komt, zo lang hij maar ballen tegenhoudt. Ik denk zelfs dat de olympische ploeg voor saamhorigheid kan zorgen. Een Vlaming zal ook blij zijn als een Franstalige sporter een medaille wint. En omgekeerd geldt dat evenzeer. Uiteindelijk zijn we hier als België.”

Zo lang de verdeeldheid in België aanhoudt, verwacht Rogge dat de sport daarvan op langere termijn wel de gevolgen zal ondervinden. „Ik denk dan vooral aan de financiering van de sport en de gelijkmatigheid van beleid tussen de Nederlands- en Franstaligen. Daar zal indringend over gesproken moeten worden. Maar dat zijn zaken voor na de Spelen. Twee naast elkaar levende culturen hoeven geen beletsel te zijn om in de sport te presteren. Neem Australië, waar de sport op provinciaal niveau is georganiseerd, en Zwitserland met zijn taalgroepen en kantons. In die landen werkt het. Dan moet het in België ook kunnen.”