Chauffeur of terrorist

Het Amerikaanse oorlogsrecht kent weer een nieuw begrip: materiële steun. Een krijgsraad in Guantánamo Bay heeft een chauffeur van Bin Laden gisteren schuldig bevonden aan „materiële steun” aan Al-Qaeda. De straf, die vandaag wordt vastgesteld, kan oplopen tot levenslang. Maar erger wordt het niet. De militaire jury sprak chauffeur Hamdan vrij van „terroristische samenzwering”.

De ‘materiële steun’ bestaat eruit dat bij zijn arrestatie in Afghanistan in november 2001 in zijn auto twee luchtafweerraketten waren gevonden en dat hij in een verhoor zijn loyaliteit jegens Bin Laden heeft uitgesproken. Dat de chauffeur volgens een andere getuige slechts een „burger” in loondienst was, heeft de jury niet kunnen overtuigen.

Na afloop sprak een woordvoerder van het Witte Huis over een „eerlijk proces” dat vervolg verdient. Een raadsman van de chauffeur reageerde cynisch en zei, gebruikmakend van een honkbalmetafoor, dat de verdediging in ieder geval een aantal punten heeft gescoord.

Hoe dan ook, het is het eerste vonnis dat door een krijgsraad in Guantánamo Bay is uitgesproken. Het speciale terroristenrecht, waarvoor Bush al zeven jaar ijvert, heeft zo een basis gekregen. En daarmee ook de speciale terreurwetten. Een van de gevolgen van deze wetgeving is dat de krijgsraden in vergaande beslotenheid werken. Dagvaardingen zijn niet openbaar en zittingen niet toegankelijk voor publiek. Tot nu toe heeft het Hooggerechtshof zich hierover amper gebogen. Het heeft vooral het beleid verworpen om ‘unlawful enemy combatants’ zonder kennisgeving (habeas corpus) te detineren. Het hof bepaalde in juni dat ook zij voor de rechtbank moeten worden geleid, omdat elk vorm van detentie te allen tijde dient te worden getoetst.

Het is op zichzelf geruststellend dat dit hoogste college in de VS een einde heeft gemaakt aan dit kafkaëske onrecht. Maar daarbij zou het niet moeten blijven. De zaak tegen de chauffeur van Bin Laden toont aan dat er aan het hele systeem van de speciale militaire commissies principiële bezwaren kleven. Zelfs ongeacht de wijze waarop de militaire aanklagers hun bewijzen en bekentenissen vergaren, is de procesvoering mistig. En dat is mild uitgedrukt. Er is immers nauwelijks tot geen mogelijkheid tot publieke toetsing van de kwaliteit ervan.

Dat gemis alleen al nodigt uit tot verbale juridische vondsten. De ‘materiële steun’ waarvoor de chauffeur gisteren is veroordeeld, illustreert dat. Deze bepaling is zo ruim dat uiteindelijk half Afghanistan er voor kan worden berecht. In de woorden van een advocaat van de chauffeur: het lijkt erop dat de militaire commissies geen ander doel hebben dan iedereen te berechten die de Amerikanen „niet mogen”.

Het zou daarom het beste zijn als de Amerikaanse regering ruimhartiger terugkomt op haar schreden en zich weer voegt naar de juridische waarden en normen die in het militaire oorlogsrecht gelden en die de Amerikaanse autoriteiten vóór de aanslagen van 2001 ook openlijk respecteerden.