Auto’s staan hier ongebruikt langs de weg

Hebben Amerikanen niets te klagen over hun benzineprijs?

In het geïsoleerde Gee’s Bend is autorijden te duur geworden. De inwoners komen het dorp niet meer uit.

religieuze reclameborden langs de weg in de staat Alabama. Foto’s Freek Staps, AFP Staps, Freek

Transport was toch al nooit het sterkste punt van de inwoners van Gee’s Bend. Toen hun voorouders in 1847 van een andere plantage naar hartje Alabama moesten komen, legden ze de elfhonderd kilometer te voet af.

Toen hun grootouders in de jaren dertig, tijdens de Grote Depressie, letterlijk stierven van de honger nadat de katoenprijs in elkaar klapte, had niemand paard en wagen om dit moeras in het diepe Zuiden te ontvluchten.

Toen hun ouders, aangemoedigd door Martin Luther King jr., in de jaren zestig naar de overkant van de troebele rivier vol kaaimannen wilden varen om daar hun stemrecht op te eisen, werd het enige transportmiddel, de veerdienst, opgeheven. De gemeenschap werd daarmee effectief afgesneden van de rest van de wereld – pas in 2006 begon de pont weer te varen.

Nu, met de Amerikaanse benzineprijs op recordhoogte, „trekken we opnieuw aan het kortste eind”. Althans, zo ziet Willie Jean Pettway het. Hij is een van de vele inwoners van Gee’s Bend voor wie transport per auto onbetaalbaar is geworden. Daarmee is deze geheel zwarte gemeenschap, met nagenoeg alleen maar afstammelingen van slaven, opnieuw in een isolement terechtgekomen.

Het gehucht Gee’s Bend en zijn 750 inwoners zijn Amerika’s antwoord op Europeanen die zeggen dat de Amerikanen niet moeten klagen over hoge benzineprijzen. De gemiddelde benzineprijs aan de pomp ligt in de VS op 0,66 euro per liter. Nederlanders betalen ruim het dubbele.

Ondanks dit prijsverschil treffen de gestegen olie- en benzineprijzen Amerikaanse consumenten harder in de portemonnee dan de Nederlandse. Want Amerikanen rijden in benzine slurpende pick-up trucks. Openbaar vervoer ontbreekt, de afstanden zijn groter en de auto is daarmee in feite onmisbaar. Op het platteland zijn de wegen bovendien vaak slecht onderhouden, waardoor het benzineverbruik toeneemt. En – het belangrijkste – Amerikanen verdienen over het algemeen minder. Het gevolg is dat van New Mexico in het zuidwesten tot Maine in het noordoosten tientallen miljoenen Amerikanen meer dan een tiende van hun totale inkomen kwijt zijn aan benzine.

Nergens in de VS is de situatie zo nijpend als in Gee’s Bend. Hier gaat nu eenzesde – het hoogste percentage van het land – van de toch al bescheiden inkomsten op aan vervoer. In het dorp waar een gezin gemiddeld omgerekend 10.750 euro per jaar verdient en 40 procent van de inwoners onder de armoedegrens leeft, verandert dat het dagelijkse bestedingspatroon ingrijpend.

Aan de rand van de weg staan ongebruikte auto’s. Hier een Dodge daar een Chevroleten verderop een Ford. Allemaal te duur geworden. Voor dit dorp zijn geen cijfers beschikbaar, maar in heel Alabama werd in het laatste half jaar 1,5 miljard kilometer minder gereden: een daling van 3,2 procent.

Om het isolement van Gee’s Bend op waarde te schatten, helpt het de geografie te begrijpen. Het dorp ligt in een kom van de rivier, een natuurlijke barrière op weg naar het volgende gehucht, dan nog eens 7,5 kilometer naar het zuiden. Aan de noordkant van Gee’s Bend zijn van slangen vergeven bossen en het dichtstbijzijnde benzinestation ligt drie kwartier rijden verderop. De enige manier om het dorp uit te komen is de tweebaansweg: County Road 29.

De enkele automobilist die het zich in Gee’s Bend nog kan veroorloven te rijden, stopt bij het huis van Tommy Bendolph. Tommy staat dan op van zijn schommelstoel op de veranda, haalt binnen twee blikjes cola, neemt de dollar in ontvangst. Zo vult hij zijn schamele inkomen aan. Tommy en zijn vriend Cedric Pettway hebben zelf – het waarom behoeft geen uitleg – geen auto dus ze moeten gebruik maken van een andere jonge informele economie: dorpsgenoten rijden tegen betaling naar de winkel.

Elke keer weer een moeilijk gesprek.

„Zeg, wat doe je morgen?”

„Nothin’.”

„Can I rent me a wheel?”. Zo vraag je dan om vervoer. Om daarop de toverformule te laten volgen: „Ik heb gas money, hoor.”

Dat verandert alles. „Kan ik je een lift aanbieden?”

De twintiger Cedric zit in een rolstoel – auto-ongeluk – maar heeft nog wel gevoel in zijn benen. Hij zou graag een auto hebben, maar dan wel een Honda. Lekker klein. Laag brandstofverbruik. Wat Cedric zegt, merkt de Amerikaanse auto-industrie aan den lijve. De vraag naar grote auto’s is nagenoeg stil komen te liggen.

Tommy lacht de twee zwarte stompjes die ooit zijn voortanden waren bloot. Twee ezels en een wagen, daar kan je tegenwoordig pas mee aankomen. „Goin’ back old style. En dan mag je je benzine houden.”

Aan de enige weg uit het dorp proberen gebedshuizen met grote reclameborden gelovigen te trekken. ‘Heaven or hell. You decide’, staat er. Afzender: ‘God’. Of deze: ‘Come in for a faith-lift’. Een aantal is specifiek gericht op die enkele automobilist. ‘If God is your co-pilot‘, je bijrijder, ‘change seats!’. Of: ‘Trust in God. But lock your car’.

Cher Bendolph is zo iemand die gevoelig is voor dit soort teksten. De economie mocht dan anders willen, de Heer zou haar mobiel houden. Tot ze ontslagen werd en zich bij het legioen van werkloze Benders moest voegen. Werk van de duivel, dacht ze eerst. Ze had haar inkomen immers nodig om haar brandstof te kunnen betalen om naar haar werk te kunnen rijden.

Na enige overpeinzing besefte Cher dat het niet de duivel maar god is die de inwoners van Gee’s Bend, nee, van de hele VS, aan een beproeving onderwerpt. „We zijn zondaars – de benzineprijs is ons boetedoen.”

Cher Bendolph moest haar auto verkopen en brengt haar dagen nu door als vrijwilliger in de Pleasant Grove Baptist Church, een kerk aan het einde van een modderpad, op een flinke wandeling afstand van het dorpscentrum. Op een stormachtige nacht in 1965 maakte Martin Luther King Jr. dezelfde tocht. Hier moedigde hij de Benders aan tot het opeisen van hun rechten – waarop de veerdienst stilgelegd werd. De kerk verstrekt nu lunchpakketten, overlevingspakketten eigenlijk, aan de kinderen van Gee’s Bend. Boterham. Pakje melk. Pakje vruchtensap. Appel. De tieners (de Amerikaanse jeugdwerkloosheid bedraagt nu 20 procent) zitten aan lange tafels te morren over de zompige boterhammen. Cher verheft haar stem. Koppen dicht, of anders „I’m gonna make y’all walk home.” Het ultieme dreigement.

De dorpelingen wonen, op een enkele stacaravan na, in zogeheten Roosevelt Houses. Bordkartonnen huisjes die de gelijknamige president liet bouwen toen hij in de jaren dertig lucht kreeg van de armoede hier. Het was een godsgeschenk, met ruiten van echt glas. Nu verraden de dichtgetimmerde sponningen hoe beperkt de middelen voor onderhoud sindsdien zijn geweest. Voor een woning, onder een boom, zit een man bonen te pellen. Niet voor de verkoop, voor zichzelf. Hij wil er niet over praten.

Annette Pettway begrijpt zijn zwijgen. Zij weet hoe het is om een uur te moeten rijden naar het dichtstbijzijnde ‘service station’: supermarkt en benzinestation ineen. Pettway vult de tank van haar Ford Explorer niet langer bij, maar gebruikt haar veel kleinere Honda om vervolgens in de winkel geconfronteerd te worden met het noodzakelijke beknibbelen. Vlees is van het menu. „Papieren borden komen er niet meer in.” Aardewerken servies was ook al boven haar budget.

Lonny Pettway is geen directe familie van Annette – de blanke slavenhouder Master Mark Pettway gaf ze allemaal dezelfde achternaam – maar hun problemen zijn vergelijkbaar. Hij heeft wel een auto, maar zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering van 760 dollar per maand schiet tekort om nog langer brandstof te kunnen betalen. Lonny moet elke maand naar het ziekenhuis voor een reeks aan klachten. Te veel om op te noemen, zo vindt hij. Ieder bezoek kost hem 35 dollar aan benzine en daarom heeft hij de dokter overgehaald om nog maar eens per zes weken langs te hoeven komen. Lonny leeft ook ongezonder nu. Kip In plaats van kalkoen. Goedkoper, maar vetter.

Een van de tankstations ten noorden van het dorp laat zien dat zelfs het bedrijfsleven de verdubbeling van de benzineprijs niet zag aankomen. De prijs wordt hier met grote rode plastic getallen op een wit bord weergegeven: ‘400’ en een kleine ‘9’. Vier dollar en en een beetje per gallon (een gallon is 3,8 liter). De ‘4’ is er met een stift voor gezet. Pomphouder William Seales had simpelweg geen grote 4-en ingekocht, dacht niet dat het ooit zover zou komen. Een drie trouwens ook al niet. Wat nou als een gallon benzine boven de 5 dollar uitkomt? Komt de rode stift dan weer tevoorschijn? „Dan sluit ik de tent. Geen klant die dat nog kan betalen.”

    • Freek Staps