Op zoek naar troost

De beroemde fotografe Diane Arbus heeft ooit gezegd dat je altijd moet doen alsof je een winnaar bent, al weegt het verlies nog zo zwaar. Nog voor haar vijftigste pleegde ze zelfmoord. In Japan is dat eervol, hier niet zo.

Ik moest al vaak aan haar werk denken, deze bewolkte zomer. Op dagen dat het niet regent, wordt mijn blik herhaaldelijk gevangen door taferelen die herinneren aan haar beroemde foto A family on their lawn one Sunday in Westchester. Verstilde mensen in strandstoelen op hun riante gazon, samen alleen, de man iets openlijker verveeld dan de vrouw, een kind op de achtergrond over een zwembadje gebogen, bomen.

In België wijden asielzoekers zich massaal aan hongerstakingen en hijskraanbezettingen, worden politici met de dag kinderachtiger, blijkt prinses Mathilde een stijlicoon, stinken de festivalweiden en waren er nooit zo weinig vlinders.

Ik schrijf tergend traag en maak soms een keukenkast schoon. Het afgelopen weekeinde, onderweg naar het zoveelste feestje, reed ik voorbij een plaatsnaambord waarop ‘LOZER’ prijkte.

Mijn eerste gedachte was: „Fuck off, verkeerd gespeld.” De rest van de tocht grinnikte ik bezorgd.

Ooit werd mijn stijl met die van Peter van Straaten vergeleken, hetgeen ik als een compliment opvatte. Dat nu ook mijn leven steeds meer op een product van zijn hand lijkt, is angstaanjagend maar humoristisch.

Al dat geloof, die hoop en die voortvarendheid neigen immers nogal vaak naar ontkenning. Doe mij maar even eerlijk in plaats van gelukkig.

Die instelling valt te overleven door de mogelijkheid zichzelf in trance te dansen. Ik kan er nauwelijks mee ophouden. Het helpt ook tegen een licht ontluikende mannenhaat. Zelden ontmoette ik in korte tijd zo veel lieve mannen op zoek naar troost.

Ik danste van vijf tot negen in de ochtend vrij uitbundig met een man die voortdurend zei dat ik fantastisch was en hij veertig, veertig, veertig! Lang liet ik een kolossale en naar eigen zeggen bijzonder eenzame Puerto Ricaan op mijn schouder rusten. Toen hij insliep heb ik hem voorzichtig tussen de feestvierders tegen een paaltje geparkeerd.

Twee gescheiden vaders vertelden mij over hun kinderen. Een alcoholist nam zich voor te stoppen met drinken. Ik nam een dunne Senegalese Belg mee naar huis. Tussen de lakens mengden we beleefd een Van Straaten-prent met een Benetton-reclame, daarna zeurden we uren over onze exen en de onmogelijkheid van relaties. Dat wij dat niet wilden met elkaar, een relatie.

Een week later kwam hij nog eens langs. Alleen maar praten nu, en heel af en toe wat lachen, maar dan echt. Al was het niet echt grappig dat zijn ex hun kind niet wilde nadat ze het had gebaard en dat zij zich na de scheiding met herwonnen energie had gericht op het plunderen van de gemeenschappelijke bankrekening. Ook vertelde hij zulke deprimerende verhalen over corrupte ngo’s in Senegal, dat ik er bijna van ging huilen.

„Ik ben erg verlegen maar soms denk ik: kracht!” zei hij, waarbij hij zijn vuist een seconde de lucht in stak en dan weer op zijn schoot liet vallen. Ik kende dat.

    • Annelies Verbeke