Ook een niet-gelovige gelooft ergens in

Politici mogen hun geloof niet gebruiken in het politieke debat, stelt Herman Philipse.

Kan Philipse zelf ook zijn eigen atheïstische geloof in de wetenschap thuislaten dan?

Illustratie Daisy Erades Erades, Daisy

Kunnen mensen hun levensbeschouwing thuis achterlaten als ze de publieke arena betreden? Is het mogelijk dat zij hun meest basale en richtinggevende opvattingen omtrent leven, mens en wereld tussen haakjes zetten als hij in gesprek gaat met anderen? Volgens filosoof Herman Philipse wel. Althans, ze zouden het moeten. Want politici moeten discussiëren middels argumenten die voor iedereen begrijpelijk zijn. Hoezeer mensen ook door een godsdienst of levensovertuiging bewogen worden, in de publieke sfeer moeten ze erover zwijgen en hun argumenten beperken tot die van de „public reason”, aldus Philipse (nrc.next, 31 juli).

Daarmee legt Philipse een onmogelijke beperking op aan een minderheidsgroep. Waarom mag een politicus niet naar voren brengen wat hem of haar werkelijk beweegt? Wat is er mis mee om alle soorten argumenten een plek te geven in het publieke debat? Zoals vicepremier André Rouvoet aangaf het interview met NRC Handelsblad (zaterdag 26 juli) over het citeren van Psalm 139 in een kamerdebat, bleken zijn collega’s het juist zeer te waarderen dat hij iets van zijn diepste motieven liet zien. Openheid over onze zinbronnen is een belangrijk onderdeel van het democratische debat, omdat we dan weten waar iemand uiteindelijk voor staat.

De ChristenUnie staat in een traditie waarin men bijbelse waarden en normen probeert te vertalen naar de actuele maatschappelijke context. De bijbel is geen zweverig boek, maar bevat universele noties over mens en samenleving en bepaalt het leven en denken van degenen die er naar willen luisteren. Waarom zou je mensen het zwijgen willen opleggen als zij inzichten willen delen van de christelijke traditie? De westerse ideeëngeschiedenis heeft juist laten zien dat er vanuit christelijk politiek denken positieve bijdragen zijn geleverd aan de ontwikkeling van onze democratische rechtsstaat. Het liberalisme van Philipse zou het anders zonder John Locke hebben moeten stellen en Martin Luther King had nooit kunnen spreken over gelijke burgerrechten, zoals hij heeft gedaan.

Niet alleen gelovigen kunnen hun geloof onmogelijk afleggen in het publieke debat – zelfs ongelovigen kunnen dat niet. Philipse is daar een voorbeeld van. Ook hij neemt zijn vooronderstellingen en een wereldbeeld mee het publieke debat in. Ook een liberaal als hij heeft een wereldbeschouwing met bovenrationele uitgangspunten – aannames die het verstand te boven gaan. De auteur heeft zijn eigen credo naar voren gebracht in zijn Atheïstisch Manifest. Vanuit zijn atheïstisch sciëntisme beoordeelt hij andere wereldbeschouwingen – wat zijn goed recht is. De wetenschap laat volgens Philipse zien dat een door de wetenschap geïnspireerde wereldbeschouwing de beste is. En wel omdat die wetenschappelijk is.

Duidelijk blijkt uit deze cirkelredenering dat ook Philipse zijn uitgangspunten heeft van waaruit hij stelling inneemt in het publieke debat. Net als Rouvoet heeft ook hij bepaalde zinbronnen, bepaalde waarden en normen. De cruciale vraag is dan: waarom moet een gelovige wel het voor hem meest vitale achterlaten als hij het publieke domein binnentreedt en een liberaal niet?

Herman Philipse en André Rouvoet hebben beiden bovenrationale uitgangspunten. Maar waar de laatste ruiterlijk toegeeft dat hij vanuit een geloofsuitgangspunt redeneert, daar moffelt Philipse dat onder het tafelkleed. De vanzelfsprekendheid waarmee hij zich het recht toe-eigent om te mogen definiëren wat redelijke en objectieve argumenten zijn, komt vermoedelijk voort uit het feit dat Philipse tot de seculiere meerderheid behoort, niet uit het feit dat hij zonder die uitgangspunten leeft.

Eigen aan de democratie is dat verschillen niet geneutraliseerd worden, maar geëxpliciteerd. Voor een meerderheid is het altijd lastig – leert de geschiedenis – om te accepteren en te tolereren dat er minderheden zijn die anders denken en handelen. Maar in een vitale democratie en een open samenleving is men bereid te luisteren naar anderen, juist ook als zinbronnen van elkaar verschillen.

Geert Jan Spijker is medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

    • Geert Jan Spijker