Ook China bouwde zijn triomf van de wil

Het was van China weinig tactvol om uitgerekend aan Albert Speer jr. te vragen om het basisontwerp voor de olympische gebouwen te ontwerpen, meent Nina L. Khrushcheva.

Ook China bouwde zijn triomf van de wil. Illustratie Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

Wanneer over een paar dagen de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Peking begint, wacht de kijkers een tot in de puntjes geregisseerd spektakel, doordesemd van nationalistische kitsch. Beelden die herinneren aan Hitlers SA in paradepas zijn uiteraard wel het laatste waar de Chinese leiders voor hun Spelen aan denken. Officieel verkondigt het Chinese nationalisme immers de ‘vreedzame’ opkomst van het land, via een idyllische, ‘harmonische ontwikkeling’. Toch is de vergelijking in zowel esthetisch als politiek opzicht niet al te ver gezocht.

Sterker nog, door Albert Speer jr. – de zoon van Hitlers lievelingsarchitect en de vormgever van de Olympische Spelen in Berlijn in 1936 – opdracht te geven het basisconcept voor de Spelen in Peking te ontwerpen, zinspeelde de Chinese regering zelf op de radicale politisering van de esthetiek die een van de kenmerken was van het twintigste-eeuwse totalitarisme. Net als die eerdere regimes – of ze nu fascistisch waren of communistisch – ging het de Chinese leiders erom de openbare ruimte en sportevenementen te transformeren tot een zichtbaar bewijs van hun bekwaamheid en hun recht als heersers.

Het architectenbureau van Speer jr. kreeg opdracht om een basisconcept te ontwerpen voor de toegang tot het olympisch complex in Peking. De kern van zijn ontwerp is een imposante boulevard van de Verboden Stad naar het Nationale Stadion, waar de openingsceremonie zal plaatsvinden. Ook zijn vaders plan voor ‘Germania’ – Hitlers naam voor het Berlijn dat hij na de Tweede Wereldoorlog had willen bouwen – berustte op zo’n imposante centrale as.

De Chinese leiders zien de Olympische Spelen als een schouwtoneel om de wereld de buitengewone vitaliteit te demonstreren van het land dat zij in de afgelopen dertig jaar hebben opgebouwd. Die demonstratie dient tevens een nog belangrijker binnenlands doel: in de ogen van de gewone Chinees het voortbestaan van dit bewind nog eens extra te legitimeren.

Met zulke doelstellingen was een bombastisch, megalomaan architectonisch idioom welhaast onontkoombaar.

Geen wonder dus dat er overeenkomsten te verwachten vallen tussen de Spelen in Peking en de door hybris getekende Spelen van 1936, die de Führer zo charmeerden en waarvan de Duitse massa’s in de ban raakten.

De Olympische Spelen in Berlijn waren net als die van Peking bedoeld als een debuut op het wereldtoneel. De nazipropagandamachine van Joseph Goebbels draaide op volle toeren. De beelden van het atletisch gebeuren – briljant ingezet in Leni Riefenstahls bejubelde documentaire – associeerden de nazi’s met de oude Grieken, en leken de nazimythe te bevestigen dat de Duitsers en de Duitse beschaving de ware erfgenamen waren van de ‘Arische’ cultuur van de klassieke Oudheid.

Bij het ontwerpen van het basisconcept voor de Spelen van Peking heeft het architectenbureau van Speer jr. – internationaal vermaard als architect en stadsplanner – er net als zijn vader naar gestreefd een futuristische wereldmetropool te creëren. Het spreekt vanzelf dat hij, om de Chinezen zijn plan te verkopen, een heel andere toon aansloeg dan de woorden waarmee zijn vader indertijd zijn plannen presenteerde aan Hitler. In plaats van het pompeuze karakter van zijn ontwerp te benadrukken, onderstreepte de jonge Speer hoe milieuvriendelijk het was. De tweeduizend jaar oude stad Peking zou een hypermoderne gedaante krijgen, terwijl het ontwerp uit 1936 van zijn vader voor Berlijn, zoals hij zei, „ronduit megalomaan’’ was.

Wij mogen de zonden der vaderen uiteraard nooit toerekenen aan de kinderen. Maar in dit geval, waar de zoon essentiële elementen ontleent aan zijn vaders architectonische beginselen, en een regime dient dat de Spelen deels met dezelfde oogmerken als Hitler probeert te gebruiken – spiegelt hij zich dan niet gewillig aan diens zonden?

Totalitaire regimes – de nazi’s in 1936, de Sovjets in 1980 en nu de Chinezen – proberen de Olympische Spelen te gebruiken om de wereld hun superioriteit te bewijzen. China meent een eigen model te hebben gevonden om zich te ontwikkelen en te moderniseren, en zijn heersers beschouwen de Spelen, net als de nazi’s en Leonid Brezjnev deden, als een manier om hun model te ‘verkopen’ aan een mondiaal publiek.

Het was politiek gezien niet erg tactvol van de Chinezen om een architect te kiezen aan wiens naam zulke duistere historische connotaties kleven. De naam Speer deed er waarschijnlijk niet toe voor de functionarissen die hem hebben uitgekozen. Zij wilden Olympische Spelen ensceneren die hun beeld van zichzelf zouden uitdragen, en Speer jr. heeft, terugblikkend op zijn vaders meesterschap in de architectuur van de macht, geleverd waar ze om vroegen.

De realisatie van de olympische visie van Speer jr., en van die van zijn opdrachtgevers, maakt een einde aan een welkom intermezzo. Na het einde van de Koude Oorlog zijn de Spelen jarenlang van politieke inmenging verschoond gebleven. Een gouden medaille was een blijk van de sportieve bekwaamheid en de toewijding van individuele sporters, niet van de verdiensten van het politieke bestel waaruit zij voortkwamen.

Maar nu zijn wij terug bij de esthetiek van de politieke hypnose, zoals ook blijkt uit de stellige verklaring dat China meer gouden medailles moet gaan behalen dan enig land ooit heeft gedaan.

En op het moment dat de olympische fakkel aan het einde van zijn reis – overigens een vondst van de nazi’s, die bij de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn werd geïntroduceerd – Speer juniors boulevard van de macht volgt, zal de wereld opnieuw getuige zijn van een triomf van de totalitaire wil.

Nina Khrushcheva, kleindochter van de voormalige sovjetleider Nikita Chroesjtsjov, doceert internationale politiek aan The New School University in New York; zij is de auteur van het boek Imagining Nabokov: Russia between art and politics.

© Project Syndicate, 2008

    • Nina L. Khrushcheva