Kritiek op wet foetaal weefsel

De wet die het gebruik regelt van foetaal weefsel, werkt in de praktijk „problematisch”. Dat schrijft een evaluatiecommissie over de in 2002 van kracht geworden Wet foetaal weefsel (WFW). Staatssecretaris Bussemaker (Volksgezondheid, PvdA) stuurde het evaluatierapport gisteren naar de Tweede Kamer.

Foetaal weefsel ‘komt vrij’ bij spontane en bij uitgevoerde abortussen. De wet bepaalt dat de vrouw die zwanger was mag beslissen wat er met het weefsel gebeurt. Ze kan het laten vernietigen, of beschikbaar stellen voor wetenschappelijk onderzoek, of eventueel laten gebruiken voor medische behandeling.

De evaluatiecommissie constateert vooral dat abortusklinieken, ziekenhuizen en sommige onderzoekers die de wet gebruiken haar niet goed begrijpen en vaak te ruim toepassen. De wet heeft bovendien een ongewenste overlap met andere wetten, zoals die op de zwangerschapsafbreking, de embryowet en de regelingen voor de orgaandonatie en de lijkbezorging. Herziening van het hele wettencomplex is gewenst.

Bij de wetsevaluatie kwam aan het licht dat een vrouw die bij een verkrachting zwanger is geraakt en de foetus laat aborteren, de resten formeel niet mag afstaan voor justitieel onderzoek, wat nuttig kan zijn voor de bewijsvoering in de rechtszaak. Hier moet de wet worden aangepast, vindt de commissie.

De evaluatie maakt ook duidelijk dat op grond van de wet een modelreglement is gemaakt dat vaak strikter is dan de wet zelf. Een voorbeeld is dat een abortusprocedure niet mag worden aangepast met het doel het foetale weefsel zo te verkrijgen dat daarmee wetenschappelijk onderzoek mogelijk is. Daar zegt de wet niets over.