Kastanjeklonen

De paardenkastanjes in mijn tuin zijn ziek. De ene ernstig, hij heeft lege takkenuiteinden, je kijkt op allerlei plaatsen dwars door hem heen, door zijn ooit ondoordringbaar gebladerte bedoel ik, hij ziet ongezond geel en kwam in het voorjaar schrikbarend laat met wat blaadjes voor de dag. De boomchirurg is al geweest. Uitzichtloze situatie. In oktober gaan we de euthanasie met hem bedrijven.

Nu weet ik niet of je zo keihard vergelijkend mag praten, en of je niet moet vinden dat elke boom evenveel waard is, maar het is een geluk dat hij het is, de kleine kastanje zoals we hem noemen, en niet zijn neef, de grote. Die is ook wel ziek, maar niet zo erg. Of nog niet zo erg. Die kreeg prima op tijd blad en vertoont weer een mooie volle pruik – al verbeeld ik me dat zijn haar wat dunner wordt. Zijn bast ziet er ook nogal rimpelig uit: grote groeven lopen erdoor en hij heeft steeds meer roestbruine bloedvlekken. De kastanje bloedziekte. Niemand weet er wat op.

Een poos geleden werden we blij gemaakt met het nieuws dat knoflook zou helpen tegen de ziekte. Had meteen al een hoog Klazien uit Zalk gehalte en bleek dan ook niet waar.

Gisteravond, het was een zoele avond, het was buiten heel stil, een poos naar zijn allersubtielste bladbeweginkjes zitten kijken en Gorter gepreveld: „Gij staat zo heel heel stil.”

Die boom – op warme dagen zitten we in zijn schaduw, je kijkt onder zijn gebladerte door naar het weiland en ’s winters zie je zijn robuuste takken stoer tegen de lucht. Ach nou ja, ’t is altijd saai voor derden, iemands liefdesgevoelens. Maar liefde is het.

Ik veerde dus even op toen ik het kloonnieuws las – mensen die klonen van hun geliefde hond krijgen. Zinloos met een boom natuurlijk, dat voel je snel genoeg. Bovendien weet ik helemaal niet of mijn kastanje een lief karakter heeft en ik denk niet dat-ie me zou redden als een andere boom me aanviel, maar toch denk je even: ja! Dezelfde boom terug. Dat je zelf dood zou zijn tegen de tijd dat de boom ongeveer dit volume zou hebben, vergeet je dan even.

En nog los daarvan. Wie gelooft nu in klonen? Het zal wel kunnen, maar wat dan. Dezelfde hond krijg je toch niet. Alle omstandigheden zijn anders. Het geeft ineens peilloze gedachten: wie zou je zelf zijn als ze alle omstandigheden van je aftrokken en vervingen door andere omstandigheden? Andere ouders, andere tijd van opgroeien, andere gebeurtenissen, andere school, andere boeken gelezen, andere muziek gehoord enz.

Misschien geldt dat voor een hond wat minder, die luistert niet als kleine pup naar Schuberts Erlkönig (om maar eens wat vormends te noemen) en drinkt geen hasjthee bij Pink Floyd, om een andere vormende ervaring op te diepen, maar andere baasjes (zelfs als je zelf weer het nieuwe baasje bent, ben je toch een ander baasje dan vroeger, want ouder geworden), andere belevenissen in de belangrijke periode, ander gezelschap (in het geval van de pasgekloonde hond het gezelschap van vier identieke broertjes) dat alles moet een hond toch tot een andere hond maken.

Mijn kastanje werpt elke herfst allerlei kloonmogelijkheden in het gras. Ik hark ze bij elkaar en gooi ze op een hoop. Hém wil ik. Niemand anders.

    • Marjoleine de Vos