De goot, de dood, levenslang of tbs. Meer kan FOBA niet bieden

Wat te doen aan de toevloed van psychiatrische patiënten in het gevangeniswezen?

De kloof tussen de reguliere psychiatrie en gevangenissen moet worden gedicht.

Op de enigszins uitgewoonde verdiepingen van de Forensische Observatie en Behandel Afdeling van de Bijlmerbajes kunnen zestig mannen en zes vrouwen tijdelijk terecht. Meestal niet meer dan drie maanden. De bajes heeft smalle gangen, met talloze gesloten deuren en nauwe liftjes. Opeens is er uitzicht op twee geasfalteerde luchtplaatsen. Eén heeft een basketbalveld. De ander een kippenhok, met drie kippen. Ook opgesloten. Ze mogen alleen buiten pikken als de vrouwen luchten. Met de mannen is dat „te riskant”, zegt psychiater Tijl Huygen. Hij licht het niet toe. Verzin er zelf maar iets bij.

Het opnameprincipe van de FOBA is simpel: worst in, best out. Wie niet meer te handhaven is, komt hier.

De goot, de dood, levenslang of tbs. Het perspectief van de psychiatrische patiënt in de crisisopvang van het gevangeniswezen is somber. De behandeldoelstelling is bescheiden. Het „bijbuigen van kwaadaardige carrières” is het hoogst haalbare, zo heet het. Mensen weer geschikt voor detentie maken, of doorplaatsen naar een psychiatrisch ziekenhuis. Liefst zo beveiligd mogelijk.

Psychiater Tijl Huygen heeft de medische leiding. Hij werkte al in heel wat inrichtingen, maar wat hij in de FOBA aantrof, had hij nooit eerder gezien. Zo veel gecombineerde, zeldzame en ernstige stoornissen bij en door elkaar. „Grande psychiatrie” noemt hij het. 80 procent psychosen, met „eronder” persoonlijkheidsstoornissen. Er zijn vrij veel „niet herkende” autisten en zwakbegaafden. 80 procent is ‘polydruggebruiker’– in afdelingsjargon: allesbranders. De gemiddelde patiënt is een man van 27 jaar, delinquent vanaf z’n dertiende, op z’n achttiende voor het eerst psychotisch. Anti-sociale persoonlijkheidsstoornissen, schizofreen, gewelddadig, zorg mijdend. Het zijn „slechte hechters” – aan familie, werk, relaties.

In de reguliere psychiatrie staan ze bekend als de moeilijkste 2 tot 3 procent van de patiënten. Soms verbruiken ze bijna de helft van de tijd en energie van het personeel. Het is de groep die niet past, die wegloopt uit dwangopname, misbruik maakt van anderen, tegenwerkt en amok maakt. Patiënten met wie de gezondheidszorg niet uit de voeten kan, voor wie ook geen gesloten afdelingen meer zijn, zodat ze de samenleving ontwrichten. Die voorzieningen zijn in de jaren 80 geofferd aan het ‘autonomiedenken’ en het recht op zelfbeschikking. Begeleid wonen in de samenleving verbeterde het leven van veel patiënten. Maar niet dat van diegenen die zich weer niet aanpasten.

Onze patiënten kunnen nu eenmaal niet begrijpen dat ze ziek zijn en dus verzetten ze zich, zegt Pierre Stalman, locatiedirecteur van de kliniek. Hij citeert graag buitenlandse critici die de afbraak van de residentiële psychiatrie in Nederland omschreven als „the right to rot”. Destructief drugsgebruik in de samenleving deed de rest. Nu zitten ze met een strafblad in de gevangenissen en tbs-klinieken. Met uitzicht op niets.

In Amsterdam komt een negatieve selectie: degenen in crisis. Stalman schat het totaal aantal psychiatrische patiënten onder gedetineerden op drie- tot vierduizend, zo’n 10 procent op jaarbasis. De meesten redden zich met de basisvoorzieningen. Alleen al door de ‘rust, reinheid en regelmaat’ knappen velen op. Anderen worden door de detentiestress juist zieker. Uit zijn raam ziet Stalman een andere toren van de Bijlmerbajes: tbs-kliniek De Singel. In tien jaar steeg het aantal tbs-patiënten van 866 naar 1.854. De klinieken zijn overvol – het aanbod is te groot en lijkt alleen maar te groeien. 65 procent van de mensen had eerder contact met de reguliere psychiatrie. Ziedaar het probleem.

Bij een crisis komen ze terecht in de FOBA-wereld van het ‘boeienregime’, de dwangmedicatie en de ‘viermansbenadering’ of, soms, de ‘zesmansbenadering’. Dat betekent dat iedere verplaatsing met vier of zes bewakers gebeurt. Er is een verdieping met alleen isoleercellen, voor als het te erg wordt. Volgens Huygen niet langer dan een dagdeel, of niet meer dan een paar dagen. Maar één patiënt bleef er toch al vier maanden.

Sombere ruimtes, met alleen een matras en een schuimrubberen zit- of leunkussen. Een overall en een deken liggen klaar. Met een druk op de knop kan met de begeleider worden gepraat. Er is cameratoezicht in de cel. In de celdeur zit op enkelhoogte een ruitje. Met tape is aan de buitenkant een klokje op geplakt, met de wijzerplaat tegen het glas. Om „georiënteerd te blijven” zegt Huygen. Twee nieuwe isoleercellen hebben in de muur zelfs een ingebouwd tv’tje, achter dik glas. Op de muur een vierkant van schoolbordverf. De patiënt krijgt een krijtje. Dat is alles.

Is zo’n afdeling geen psychiatersparadijs? Het hele medisch handboek loopt er immers rond. Huygen vindt het geen leuke vraag. Hij zegt „te worden gedreven door woede. We hebben chroniciteit laten ontstaan waar dat niet had gehoeven. Wij hebben een ereplicht om deze systeemfout te repareren.”

Wat hem dwarszit, is de kloof met de reguliere psychiatrie. De restauratie die nu op gang komt wordt verwelkomd. Maar Huygen en Stalman waarschuwen voor overspannen verwachtingen. De deskundigheid bij de GGZ voor deze patiënten is „vervluchtigd”. Het duurt zeker vijf tot tien jaar voordat die weer is opgebouwd.

Huygen en Stalman zijn trots op hun staf. De moeilijkste gevallen kunnen soms binnen 24 uur weer „redelijk overeind” deelnemen aan het afdelingsleven. Mensen „aankunnen” die niemand meer aankon, dat is hun opgave. Ze proberen patiënten te stabiliseren zodat er nieuwe mogelijkheden voor contact en zorg ontstaan. Stalman: „We bouwen niet alleen dijken, maar bewerken ook het land dat erachter ligt.”

Het is heftig werk. Iedere tien dagen wordt iemand van de 160 man personeel verwond. Even naar het ziekenhuis met een kneuzing, een kras of erger. Huygen zelf kreeg ooit een „volle linkse directe op de kaak” van een patiënt. „Totaal niet zien aankomen. Ik had zo’n dik gezicht, een dag later.” Als een patiënt onder dwang moet, wordt er eerst een plan gemaakt. Jij pakt het linkerbeen, jij het rechter, jij staat voor, jij achter. Ik neem de linkerarm, jij de rechter. En als het achter de rug is, gaan ze even bij elkaar zitten. Om indrukken uit te wisselen en gevoelens te uiten. Wat de dagelijkse begeleiding moet incasseren, zegt Huygen, is maar moeilijk voorstelbaar. Hij vindt het begeleiden en aansturen van het personeel haast moeilijker dan de patiënten.

    • Folkert Jensma