Sterke schouders en soms een blauw oog

Eind deze week beginnen de Olympische Spelen in Peking.

nrc.next-redacteuren testen hun sporttalent. Kunnen ze – met wat training – meedoen aan de Spelen in 2012?

Danielle de Bruijn (13) in aktie. foto Fred Ernst Ernst, Fred

„Weet je”, zegt een van mijn teamgenoten, „omdat je alleen schoolslag doet, kun je beter bij de keeper blijven hangen. Dan gooien wij de bal wel naar je toe.” Goed idee, lijkt me. In die dertig seconden dat je bij waterpolo een aanval moet opzetten, ben ik net aangekomen bij de overkant van het bad. De rest heeft er dan al, na een sprint in borstcrawl, een duel opzitten.

Het is donderdagochtend 24 juli en ik doe in Zeist mee met de training van de jeugdselectie. Het vrouwelijke Jong Oranjeteam. Zij zijn, op het A-team na dat naar de Olympische Spelen gaat, de beste waterpoloërs van Nederland. Sommigen van hen zullen zeer waarschijnlijk meedoen bij de volgende Spelen, in 2012.

Het olympisch team heb ik een paar dagen eerder zien trainen. Sterke dames, met enorme schouders. Hun coach, Robin van Galen, vertelde dat een goede waterpoloër in elk geval snel moet kunnen zwemmen, fysiek sterk is en balgevoel moet hebben. En volgens Alette Sijbring (26), die geselecteerd is voor het olympisch team, is het standaard dat je aan elkaars badpak trekt. Dat je daarom geen lange nagels mag hebben, maar dat ze nooit echt gewond is geraakt. Op een paar blauwe ogen na. „Dat gebeurde ook weleens per ongeluk.”

Ik zag op tegen de dag dat ik met Jong Oranje zou meedoen. Dit is echt rampzalig, weet ik bij het inzwemmen. De 18 en 19-jarige meisjes hebben me twee keer gelapt als ik – in schoolslag – begin aan de derde baan.

Om de meiden gedreven te houden, verzint coach Wim van Ruitenbeek spelletjes. Wie de bal (met één hand) het verst kan gooien bijvoorbeeld. Ze zijn in voorbereiding voor de Europese Junioren Kampioenschappen, die deze week plaatsvinden in Hongarije (t/m 17 jaar) en in september in Griekenland (t/m 19 jaar).

Nederland is een echt waterpololand, zegt bondscoach Robin van Galen. Ook al zie je het weinig op tv. „In de jaren tachtig en negentig haalde het Nederlands team altijd het podium bij internationale wedstrijden.” De laatste jaren is de concurrentie sterker geworden. „Sinds 2000 is waterpolo ook voor vrouwen een olympische sport. Voor mannen is dat al sinds 1900. Andere landen gingen acht jaar geleden meer investeren in de sport. Wij niet. Daarom haalden we de Spelen van 2004 niet.”

Al snel werd bepaald dat Nederland moest professionaliseren. In 2005 besloot de KNZB dat de A-selectie een salaris zou krijgen en er niks meer naast zou mogen doen. Alette Sijbring, die sinds haar elfde waterpolo speelt, studeerde geneeskunde in Utrecht. Ze zat middenin haar co-schappen. „In mei 2006 heeft de bondscoach gevraagd of ik bij de selectie kwam. We hebben mijn programma naast het trainingsprogramma gelegd. Combineren was niet mogelijk.” Ze dacht twee weken na en besloot haar studie tijdelijk stop te zetten. „Dan word ik maar wat later dokter, dacht ik. Na de Spelen pak ik mijn studie weer op.”

Alette Sijbring heeft niet overdreven, toen ze zei dat iedereen elkaar vasthoudt aan het badpak. Vanaf de kant zie je telkens de hoofden onder water gaan, als de bal in de buurt komt. Je mag elkaar niet slaan en schoppen, maar de tegenstander zal alle middelen toepassen om de bal terug te winnen. En als jij met bal en al onder water gaat, krijg je zelfs een vrije worp tegen. De bal moet boven water blijven.

Ik ben met mijn team – met witte badmutsen – in de aanval. Ik krijg de bal. Net als ik wil schieten, voel ik een hand op mijn schouder die me naar beneden duwt. Proestend kom ik boven. Mijn oren, ogen en neus, overal zit water. Als ik weer helder kan zien, heeft de aanval zich inmiddels verplaatst naar de andere kant van het bad. Alleen de keeper van de tegenpartij en ik liggen er nog.

    • Marleen Luijt