Rijksprentenkabinet vooral goed tot twintigste eeuw

Werken uit de collectie van het Rijksprentenkabinet met links ‘Portret van Gillis van Breen’ van Hendrick Goltzius, de shunga-prent ‘Badende Vrouw’ van Suzuki Harunobu en ‘Portret van een vrouw’, een ontwikkelgelatinezilverdruk van Erwin Blumenfeld (foto). opnamedatum:2006-02-17 Blumenfeld, Erwin

Tentoonstelling Kunst op papier, aanwinsten 1996-2008 verworven onder directeur Ronald de Leeuw. In het Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, Maastricht. Tot 12 oktober. Di-zo 11-17 uur. www.bonnefanten.nl

Onlangs nam Ronald de Leeuw na twaalf jaar afscheid als directeur van het Rijksmuseum. Alexander van Grevenstein, directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht, toont als afscheidscadeau een keuze uit de bijna 12.000 werken op papier die het Rijksmuseum in de periode De Leeuw verwierf. De selectie is gemaakt door het Rijksprentenkabinet.

Het prentenkabinet opereert binnen het Rijksmuseum min of meer zelfstandig. Het staat onder leiding van Ger Luijten, die in 2001 Peter Schatborn als hoofdconservator opvolgde. Zij verzamelden tekeningen en prenten uit onder meer de Duitse en Italiaanse Renaissance, de Nederlandse zeventiende eeuw, de Duitse negentiende eeuw en het Neoclassicisme, Japanse tekenkunst, en ook Nederlandse tekeningen, grafiek en foto’s uit de twintigste eeuw. Sinds een jaar of zeven is het verzamelen van Nederlandse twintigste-eeuwse kunst een beleidslijn van het Rijksmuseum, maar het prentenkabinet doet dit dus al langer. Hedendaagse grafiek is zelfs gedurende de hele twintigste eeuw verzameld.

De expositie in Maastricht toont de collectie in de volle breedte. Er zijn de meest uiteenlopende dingen te zien, met grote verschillen in kwaliteit. Bij de oudere teken- en prentkunst ligt het accent op ongebruikelijke verschijningsvormen en technieken. Zo is er een anonieme houtsnede van een Min, ca. 1565, een beetje stijfjes gedaan, van een boerse vrouw uit wier borst een ferme straal melk spuit, in de hand houdt zij een geldbuidel. Er zijn anatomische tekenmodellen van een skelet of van figuren met losse ledematen, en een prentenalbum gedrukt in 1650 in Antwerpen door Adriaen Collaert, met prenten naar Maarten de Vos (1532-1603). Mooi en expressief is een zestiende-eeuws mansportret, puntig getekend door Hendrick Goltzius. Een kleine ets (ca. 12 x 17 cm) door Johann Philip Veith, van een Avond aan de Elbe naar een schilderij van Caspar David Friedrich, is een prachtig voorbeeld van Duitse Romantiek. En dan zijn er bijzondere negentiende-eeuwse foto’s, zoals een albuminedruk van een door klimop overwoekerd landhuisje van G.M. Eckert, het beeld fijnmazig en weelderig in sepiatinten, en een zoutdruk van het aquaduct bij Arles (ca. 1850) door Charles Nègre. Misschien was er, behalve het plezier van kiezen en kijken, nóg een reden om te kiezen voor deze gevarieerde en onorthodoxe aanpak, namelijk om de overgang naar de twintigste eeuw aannemelijker te maken. Want de collectie moderne prenten en tekeningen heeft kop noch staart. Het lijkt op een veilinghuis, zonder lijn, zonder opvatting. Er zijn mooie dingen bij, zoals een Kurt Schwitters en een vroege Jan Schoonhoven (1957). Maar truttigheid, conventionaliteit en traditionalisme overheersen. Zoals de ets Interieur waarin ik tegen een ezel leun (1980), van T. Moerbeek, een zielloze tekening van David van de Kop, en werken van Peter Vos tot Frans Pannekoek en van Aat Veldhoen tot Gooitzen de Jong. Daartussen dan weer een leuk kiekje van Theo en Nelly van Doesburg, en een prachtige Piet Zwart. Maar zelfs aan goede kunst heb je in een museumcollectie niets als samenhang of context ontbreekt.

Een paar jaar geleden zei hoofdconservator Luijten in een interview dat hij vanuit een soort „nationaal geweten” werk verzamelt van kunstenaars die niet tot de avant-garde behoren maar juist de figuratieve lijn voortzetten. Hij is uit op moderne kunst die de musea voor moderne kunst links lieten liggen omdat ze niet vernieuwend of niet verontrustend was.

Het is een nogal discutabele opdracht die het Rijksmuseum zichzelf heeft gesteld. Het wil de twintigste-eeuwse kunstgeschiedenis, zoals die te zien is in musea voor moderne kunst, corrigeren, met de nadruk op figuratieve kunst. Kennis van moderne kunst is in het Rijks niet voorhanden, zo blijkt uit de verzameling. Bovendien is overal in het land ruime aandacht voor figuratieve kunst, in vele provinciale musea en in particuliere musea als het Scheringamuseum en Museum Beelden aan Zee.

Deze twintigste-eeuwse collectie lijkt meer op een privéverzameling dan op een museumverzameling. Het is de verzameling van een liefhebber, van een amateur. En amateurisme is het laatste dat verlangd mag worden van het Rijksmuseum.

    • Jannneke Wesseling