Proberen en mislukken horen ook bij het leven

Van technologie waarmee ons welzijn wordt verhoogd, kan er nooit te veel zijn, stelt filosoof Marcel Zuijderland.

Hij houdt er wel een beperkt begrip van ‘welzijn’ op na.

Proberen en mislukken horen ook bij het leven. Illustratie Merlijn Draisma Draisma, Merlijn

Filosoof Marcel Zuijderland constateert dat de beslechting van het conflict rondom de embryoselectie slechts „een politieke oplossing” was en betreurt het dat er „geen ideologische winst” is geboekt voor „een positieve houding ten opzichte van biotechnologisch ingrijpen” (nrc.next, 29 juli). Want, van alles wat zelfbehoud en welzijn verhoogt kan er nooit te veel zijn, vindt hij. Zuijderland toont daarmee een rotsvast vertrouwen in de mogelijkheden van de techniek.

Bij dit vooruitgangsoptimisme zou ik toch een paar vraagtekens willen plaatsen. Het zou verstandig zijn om iets langer stil te staan bij de afhankelijkheidsrelatie die Zuijderland zo ras laat opgaan in de harmonie van een symbiose. Het feit dat de mens vanaf den beginne werktuigen heeft ontworpen om zijn vermogens te verbeteren en gebreken te compenseren, vormt namelijk nog geen argument om een grenzenloze techniek te rechtvaardigen. De afhankelijkheid van een bijl waarmee hout in stukken kan worden gehakt kan niet zondermeer vergeleken worden met die van computers die bij uitval het openbaar vervoer in het hele land uren kunnen stilleggen, of met die van elektrische stroom waarmee in een ziekenhuis mensen in leven worden gehouden.

Niemand zou de medische ontwikkelingen die we de afgelopen jaren hebben doorgemaakt zomaar willen terugdraaien. Maar daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat één klein foutje fatale consequenties kan hebben voor vele patiënten. Deze patiënten staan machteloos tegenover de techniek die hun helpt. Op dezelfde manier leveren de reizigers van het openbaar vervoer zich, in weerwil van de toegenomen mogelijkheden zich te verplaatsen, over aan de grillen van het technisch instrumentarium.

De vrijheid die volgens Zuijderland voortvloeit uit techniek, gaat dus tegelijkertijd gepaard met een onevenredig sterke afhankelijkheid. De bijl kon door de oermens zelf gezocht of gemaakt worden. Maar de moderne mens staat eerder machteloos tegenover de door hem ontwikkelde technologieën, die vaak zijn bevattingsvermogen te boven gaan en waarop hij meestal geen invloed heeft. De bewering van Zuijderland dat techniek ons „emancipeert van het toeval” moeten we dus omkeren: het individu is juist aan de grillen van de techniek overgeleverd.

Een tweede vraagteken is of techniek inderdaad onze mentale en fysieke vermogens altijd vergroot, zoals Zuijderland veronderstelt. Ik meen dat sommige, cruciale vermogens er juist door verzwakken. Een navigatieprogramma in een auto genereert bij de bestuurder een volstrekt passieve houding. Hij kan overal komen, inderdaad, maar voert als een robot de instructies uit en verleert op den duur het kaartlezen. Mocht het programma onverhoeds uitvallen, dan staat hij machteloos stil in de rimboe van het hedendaagse wegennet.

Mobiele telefoons maken mensen altijd en overal bereikbaar, maar door deze overdaad aan dikwijls oppervlakkige communicatie, verleren we het om tijd en aandacht te schenken aan die ene persoon die naast ons op het terrasje zit. En ook ons concentratievermogen heeft onder de techniek te lijden: de toegang tot een duizelingwekkende hoeveelheid informatie via televisie en internet, heeft ons vermogen aangetast om ons te concentreren op een langere, ingewikkelder teksten.

Dat brengt mij op een derde vraagteken. Want, wat betekent het voor een mens om het perfecte product te zijn van technische ingrepen? Wat betekent het bijvoorbeeld voor mij dat ik een 4.000 meter hoge berg beklommen heb, als ik door mijn genenkaart voorbestemd zou zijn geweest om dit te doen en erin te slagen? Zonder techniek kan ik nog twijfelen, proberen en mislukken. Dat zijn processen die een belangrijk deel van mijn bestaan bepalen en die mij tot de persoon maken die ik ben – die mijn karakter vormen waarmee ik mij kan onderscheiden van anderen. Zou de wetenschap bepalen met welke eigenschappen ik toegerust ben, dan word ik opgezadeld met een lot dat van een geheel andere orde is dan die van het natuurlijke toeval. Want dan is er sprake van doelgerichtheid van degenen die mij ‘gemaakt’ hebben.

Biotechnologische veredeling van de mens past bij een wereldbeeld dat de mens als een door de natuur gedetermineerd wezen ziet – zonder vrije wil en zonder noemenswaardige verantwoordelijkheid voor zijn bestaan. Wat zou er dan op tegen zijn om die natuur als het ware een handje te helpen en zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken? Maar het wordt toch anders wanneer je de mens het vermogen toekent om op eigen kracht moeilijkheden te overwinnen en je juist die vermogens als elementaire en waardevolle aspecten van het bestaan beschouwt. Dan krijgt ‘welzijn’ een geheel andere betekenis.

Mariette Akkerman is musicus en studeert wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht.

    • Mariette Akkerman